Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van een leesfragment. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag ontdek je samen met Kato van de For Girls Only-boeken, geschreven door Hetty van Aar, een groot familiegeheim dat heel haar leven zal veranderen.

Voorvaderen? Wat een raar woord! Kato stak haar vinger op. ‘Mag je ook je voormoederen opzoeken?’
Kato keek naar de klok boven het digibord. Nog een kwartiertje, dan was deze schooldag eindelijk voorbij. Ze keek naar buiten. De zon stond nog te stralen, maar vanuit de verte kwamen donkere wolken dichterbij. Zou het nu gaan regenen? Dat was toch niet eerlijk! De hele dag had ze binnen gezeten en nu ze eindelijk naar buiten kon…
‘Kato, blijf je bij de les?’ vroeg mevrouw Peeters. Kato schrok. Mevrouw Peeters was de liefste juf van de wereld, maar ze zag en hoorde alles. Kato keek naar het bord. Er stonden lijstjes getekend, met namen erin. Dat was het voorbeeld van een stamboom.
‘Je stamboom is je familiegeschiedenis. Je begint bij jezelf en gaat op zoek naar je voorvaderen’, legde mevrouw Peeters uit.
Voorvaderen? Wat een raar woord! Kato stak haar vinger op. ‘Mag je ook je voormoederen opzoeken?’
Mevrouw Peeters moest lachen om de vraag. ‘Officieel lopen stambomen van vader op zoon, de oudste zoon. Maar bij jullie familiegeschiedenis mag je de namen van je ouders en je grootouders uitpluizen. Kijk maar hoe ver je komt.’
De zoemer ging.
‘Lekker makkelijk, dat huiswerk’, zei Kato tegen Emma. ‘Eigenlijk ben ik al klaar, ik hoef het alleen nog op te schrijven: ik, papa, mama, opa, oma, opa, oma.’ Ze trok haar fiets uit de stalling.
‘Makkelijk, maar ook leuk’, vond Emma.
‘Knutselen vind ik altijd leuk.’
‘Hoezo knutselen?’ schrok Kato.
‘Fotootjes zoeken en inplakken’, legde Emma uit.
‘Moeten we een stamboom met echte foto’s maken?’ Verbaasd keek Kato van Emma naar de rest van haar vriendinnen.
‘Wat had je dan gedacht?’ vroeg Ellen.
‘Ik dacht dat we lijstjes mochten tekenen, net zoals mevrouw Peeters op het bord deed.’
‘Dat mag misschien ook wel’, zei Yelien. ‘Het gaat meer om de namen dan om de foto’s.’
Kato stapte op haar fiets. ‘Toch vind ik het stom, dat zo’n stamboom alleen maar over vaders en zonen gaat. Het zijn wel de vrouwen die kinderen krijgen. Dan zijn de vrouwen toch net zo belangrijk?’
Achter hen belde een bromfiets. Ellen kneep in haar remmen. ‘Je hebt echt zitten dromen in de les!’ riep ze, toen ze weer naast Kato reed.
‘Ik? Hoezo?’
‘Bij elke zoon mag je de naam van zijn vader én zijn moeder invullen’, legde Ellen uit.
Kato zweeg. Dat had ze inderdaad niet meegekregen. Je kon ook niet alles horen wat er gezegd werd. ‘Maar toch… toch maak ik misschien wel een stamboom met alleen maar vrouwen. Mijn voormoederen! Lekker puh!’

Met een zwaai gooide ze de kastdeur open. Haar slaperige been voelde dik en tintelig, ze kon er nauwelijks op staan. Ze hield zich vast aan de kast en zwaaide haar been een paar keer op en neer. Toen zag ze de envelop.
Toen Kato thuiskwam gleed er een wolk voor de zon, een dikke, donkere wolk. Ze stond voor het keukenraam en zag het gebeuren. Kort daarna kletterde de regen tegen de ruiten. Het leek wel of iemand daarboven de douchekraan open had gedraaid. Mama kwam naast haar staan. ‘Dat noem ik nou een tropisch buitje’, zei ze.
‘Dan kan ik mooi mijn huiswerk maken’, zei Kato. Ze legde haar schrift op tafel en tekende drie vierkantjes onder elkaar.
Toen ze klaar was kwamen Mark en Steven de keuken binnen.
‘Kaatje, wil jij met ons verstoppertje spelen?’ vroeg Mark.
Ze keek naar zijn engelengezichtje en kon echt geen nee zeggen. ‘Oké, ik ben hem.’ Met haar gezicht tegen de muur en haar ogen stijf dichtgeknepen telde ze tot honderd. Haar broertjes liepen de keuken uit. Ze hoorde hun vliegensvlugge voetstappen op de trap. En daarna een bons. Ze lachte stilletjes. Die twee hadden zich onder het bed verstopt, dat wist ze nu al. Langzaam liep ze de trap op. ‘Ik tel tot tien, wie niet weg is is gezien. Ik kom!’
Oh oh, die kukeltjes hadden hun deur open laten staan. Terwijl ze naar boven liep zag ze hen
onder het bed van Mark liggen, dicht tegen de muur gedrukt. Ze deed net of ze hen niet zag.
‘Waar zouden ze toch zijn?’ riep ze overdreven duidelijk. ‘In de kast misschien?’ Ze trok de kastdeur open. ‘Mis!’
Onder het bed klonk zacht gegniffel.
‘Wacht, ze zitten misschien wel achter de stoel. Oh nee, daar zitten ze niet.’ Ze keek om zich heen. ‘Nu weet ik waar ze zijn! Achter het gordijn!’
De broertjes onder het bed giechelden.
‘Waar kunnen ze toch zijn?’ zei Kato extra hard.
‘Ze zullen zich toch niet buiten verstopt hebben? Het regent zo hard, ze worden kletsnat. Mark! Steven! Waar zijn jullie?’
‘Ik ben hier!’ riep Steven, terwijl hij onder het bed uit kroop.
‘Ssst!’ siste Mark nog, maar dat was te laat.
Steven was ‘m nu. Mark verstopte zich achter het gordijn. Je kon alleen de neuzen van zijn schoenen zien.
Kato zocht een plekje waar ze makkelijk te vinden was: achter de stoel. Ze zat er net op tijd, want bij twintig draaide Steven zich om en riep: ‘Ik kom!’ Hij liep twee stappen en begon te schateren van het lachen. ‘Ik zie jou! Ik zie jou! Kom maar tevoorschijn, Kaatje, je zit achter de stoel!’
‘Nu moet ik ‘m nog een keer zijn’, klaagde Kato en ze begon weer te tellen. Daarna was Mark aan de beurt.
‘Ik ga het je moeilijk maken’, beloofde Kato hem, ‘heel moeilijk! Mij vind je niet.’ Ze sloop de trap naar de zolder op. De derde tree kraakte, die sloeg ze over. Het was schemerig op zolder. En stoffig. De regen kletterde oorverdovend op de dakpannen. Op haar tenen liep Kato naar de kast. Ze maakte zich klein en trok de kastdeur achter zich dicht. Een paar lege kleerhangers tikten tegen haar hoofd. Hihihi, hier vonden ze haar nooit. Ze wachtte af. Ze wachtte zo lang, tot haar been sliep. Dat was een gek gevoel. Stilletjes ging ze verzitten. Oeps, ze raakte de deur. Die piepte zachtjes open. Het regende niet meer. Opeens was het heel stil op zolder. En haar broertjes? Waren die nog aan het zoeken?
Ze hield haar hoofd schuin en luisterde. Alles bleef stil. Zie je wel, ze had toch gelijk gekregen. Niemand had haar gevonden.
Met een zwaai gooide ze de kastdeur open. Haar slaperige been voelde dik en tintelig, ze kon er nauwelijks op staan. Ze hield zich vast aan de kast en zwaaide haar been een paar keer op en neer. Toen zag ze de envelop. Eigenlijk zag ze alleen het bruine hoekje dat onder de vloerbedekking uitstak. Een restje grijs gespikkelde vloerbedekking, overgebleven van de trap. Een envelop onderin de kast, was dat niet raar?

De envelop was al open. De inhoud gleed er vanzelf uit. Nog net op tijd had Kato de papieren te pakken. In een flits zag ze een woord staan: ADOPTIEVERKLARING.
Kato tilde de vloerbedekking op en keek naar de envelop. Wat zou er inzitten? Van wie zou die zijn? Misschien wel van mensen die hier lang geleden gewoond hadden. Misschien zat er wel heel veel geld in. Dat zou mooi zijn. Nee, geld bewaarde je niet in een envelop op zolder. Zeker niet in een rommelkast met wat oude kleren. En met puzzels van duizend stukjes die ze nooit had kunnen maken omdat er altijd stukjes kwijt waren. Nee, wat er ook in die envelop zou zitten, belangrijk was het vast niet. Toch kon Kato haar ogen er niet van afhouden. Het leek wel of de envelop haar hypnotiseerde. Ze stond daar maar te staren.
Nu is het afgelopen, besloot ze. Vliegensvlug trok ze de envelop tevoorschijn. Er stond geen naam op. Dan mocht ze er wel in kijken. De envelop was al open. De inhoud gleed er vanzelf uit. Nog net op tijd had Kato de papieren te pakken. In een flits zag ze een woord staan: ADOPTIEVERKLARING.
Ze trok haar vingers terug, alsof ze zich brandde. De papieren vielen in een waaier op de grond. Met afschuw keek Kato ernaar. Het bloed suisde in haar oren. Adoptieverklaring? Wie was er geadopteerd? Waarom was die envelop verstopt? Omdat het geheim was natuurlijk. Had ze die envelop maar niet gevonden, dan was het een geheim gebleven. Nu had ze iets ontdekt dat haar hele leven veranderde. Of niet soms? Ze had geen naam gezien. Ging het wel over haar? Buiten klonken vaag de stemmen van haar broertjes. Ze voetbalden. Verder was het stil, zo stil dat Kato haar eigen ademhaling hoorde. Toen hurkte ze neer bij de papieren. Was ze geadopteerd? Ze móést het weten. Nee, ze wilde het niet weten. Die envelop moest weg, terug onder de vloerbedekking.
‘Kato, ben je boven?’ hoorde ze mama roepen.
Kato schrok zich bijna dood. Ze griste de papieren bij elkaar. Weg ermee, in de envelop. Die verstopte ze in de kast, onder het stukje vloerbedekking. Ze haastte zich naar het trapgat.
‘Kato!’ riep mama voor de tweede keer.
‘Ja!’ antwoordde Kato. Haar stem deed het niet. Ze probeerde het nog eens: ‘Ja!’ Geruisloos liep ze de zoldertrap af. Halverwege keek ze over haar schouder. De kast was dicht, alsof er niets gebeurd was. Maar voor Kato was alles anders.

Lees méér van WPG