Tel met WPG mee af naar het nieuwe jaar met onze digitale adventskalender! Iedere dag van december krijg je van ons een kleine verrassing. Op deze derde dag geven we je een fragment uit De woestijn van Jorge Baron Biza. Eligia’s ex-man Arón gooide tijdens het tekenen van de echtscheidingspapieren zwavelzuur in haar gezicht. Wat volgt is een lange tocht langs de beste ziekenhuizen ter wereld om Eligia’s gezicht te reconstrueren. Mario vergezelt zijn moeder tijdens het hele proces terwijl de herinneringen aan zijn vader de revue passeren.

Direct na de aanval zag Eligia er nog rozerood uit, met symmetrische trekken, maar per minuut verscherpten zich de lijnen van haar gezicht, dat tot dan toe tamelijk zacht was geweest, ondanks haar zevenenveertig jaar en een chirurgische ingreep in haar jeugd aan een wipneus. Die kleine correctie, waar ze zelf op had aangedrongen en die gedurende drie decennia haar koppigheid de schijn had verleend van onverschrokkenheid, werd steeds meer het symbool van verzet tegen de ernstige verminkingen als gevolg van het zuur. Haar lippen, de rimpeltjes bij haar ogen en de contouren van haar wangen veranderden in een antifunctionele cadans: er verscheen een welving waar zich nooit eerder welvingen hadden bevonden terwijl tegelijkertijd juist een lijn verdween die tot dan toe een onlosmakelijk onderdeel van haar identiteit was geweest.

Het onbevangen sensuele gezicht van Eligia begon zich te ontdoen van vorm en kleur. Van onder haar oorspronkelijke trekken kwam iets nieuws tevoorschijn: niet een geslachtloos gezicht, zoals Arón zou hebben gewild, maar een nieuwe realiteit die zich niets aantrok van de opdracht om op een gezicht te lijken. Er ontstond iets anders, een systeem met wetten waarvan men de werking nog niet kende.

Direct na de aanval zag Eligia er nog rozerood uit, met symmetrische trekken, maar per minuut verscherpten zich de lijnen van haar gezicht.

Wie haar augustus, september, oktober en november van 1964 elke dag zag, kreeg de indruk dat de materie van dat gezicht geheel los was gekomen van de wil van de eigenaar ervan en dat het elke nieuwe vorm kon aannemen, dat het tinten kon gaan vertonen die waren voorbehouden aan de meest intense zonsondergangen en dat het alle richtingen op kon dansen terwijl in het midden nog steeds de kokette neus standhield, zijnde het enige artificiële element van het vorige gezicht.

Het was een woelige en bonte tijd voor het vlees, een tijd van vrijheden waarin de van vormen losgezongen kleuren vage vlekken opriepen die cineasten gebruiken om er het onderbewuste mee aan te geven, in de slechtste en meest onnozele zin van het woord. Die kleuren lieten elke soort van beschaving achter zich, ontsnapten aan elke soort van medische techniek die ze wilde verbinden met welk ordeningsprincipe dan ook.

Op weg van Aróns appartement naar het ziekenhuis – in de auto van een van de advocaten die me voor het onderhoud nog hadden bezworen dat er niets ergs zou gebeuren – ontdeed ze zich van haar bijtende, doorweekte kleren. De weerspiegelingen van de neonlichten in het stadscentrum gleden vluchtig over haar lichaam. Toen we de straat met de bioscopen waren binnengestoven moesten we wachten voor het stoplicht, een menigte stak doof voor ons getoeter op hun dooie akkertje over. Een paar mensen zwalkten onze kant op en wierpen een blik naar binnen zonder goed te begrijpen of het ging om iets erotisch of rampzaligs. De aan- en uitfloepende lichten wierpen kille akkoorden over het chroom van de auto en over Eligia’s lichaam. In de bioscoop op de hoek draaide Irma la Douce, en het enorme portret van Shirley MacLaine was versierd met een rand van rode en paarse streepjes die achter elkaar aan joegen. Shirley droeg een korte rok – in die tijd hulden alleen hoeren zich daarin – en een zeer zwierige tas.

Eligia gilde niet; ze trok zacht kreunend de kleren van haar lijf. Had ze maar hard gegild, dan zouden misschien sommige voetgangers zijn opgehouden met dat stompzinnige of hitsige gegrijns en zouden ze ons de gelegenheid hebben gegeven door te rijden. Maar Eligia kreunde alleen maar, met de tanden op elkaar geklemd, en doordat ze haar doordrenkte kleren afrukte beet het zuur nu ook in haar handpalmen, een van de weinige lichaamsdelen die tot dat moment nog niet waren aangetast door het gemene spul. Het zuur dat Arón in haar ogen had gegooid – want het was zijn bedoeling geweest dat ze nooit meer zou kunnen zien en dat het laatste beeld dat ze zich zou heugen zijn persoon was – had ze goeddeels kunnen afweren met de rug van haar handen, die ze snel voor haar gezicht had geslagen, wat duidt op de verontrusting en alertheid waarmee ze het onderhoud had gevolgd, maar hoewel de handpalmen aanvankelijk dus ongedeerd waren gebleven verschroeiden ze uiteindelijk toch nog tijdens de branderige striptease in de wagen die haar naar de Spoedeisende Hulp bracht.

Een paar mensen zwalkten onze kant op en wierpen een blik naar binnen zonder goed te begrijpen of het ging om iets erotisch of rampzaligs.

Ik kende haar destijds nog niet erg goed maar had altijd een vreemd teder gevoel gehad bij die vrouw, zo toegewijd, zo ijverig, met haar eenvoudige jurken, met haar pedagogie. Ze droeg altijd kortgeknipt haar als teken dat ze een moderne vrouw was, en ook om haar krachtige kaaklijn en volle lippen goed uit te laten komen. Ze bracht altijd een zweem van rouge aan dat de sensualiteit van haar mond maskeerde. In het oorspronkelijke gezicht vielen de oogleden loom over haar ogen maar daaronder volgde een alerte blik alles.
Ze was altijd trots geweest op haar hoge voorhoofd,
dat ze bovendien nog probeerde te accentueren met
haar kapsel.

In haar gelaat sprong het duidelijkst haar geschiedenis naar voren, het bloed van de Presotto’s – arme Italiaanse immigranten – alsook haar onbuigzame geloof in de rede en haar dorst naar kennis. Maar de ‘altijds’ van haar gezicht waren bezig te verdwijnen.

We waren allebei nogal laconiek. Tijdens mijn kindertijd stond in het dagelijkse leven de Poolse huisonderwijzeres tussen ons in. Eligia leidde een eigen bestaan, met haar studie en haar politieke bezigheden. Maar in mijn puberteit begreep ik dat niet alle leegtes konden worden toegeschreven aan de gouvernante. Toen zij niet meer tussen ons in stond, in Montevideo, waar we in ballingschap waren gegaan en ik op een Duits internaat zat, bleven de vragen, als ze me soms in het weekend kwam bezoeken, in de lucht hangen. Ze luisterde wel degelijk naar me, glimlachend of met samengeknepen mond, maar ze antwoordde niet, of zo summier mogelijk, of ze antwoordde met een tegenvraag, ‘Waarom heb je een hekel aan de alfavakken? Krijg je ook Latijn op deze school?’, of ze antwoordde met ‘Ik weet het niet’. Ik onderging die antwoorden als incomplete figuren, alsof er iets tussen ons in bleef staan wat nog niet af was.

Op mijn veertiende keerde ik uit Montevideo naar mijn land terug. Op mijn achttiende, toen Eligia en Arón voor de zoveelste keer uit elkaar gingen, besloot ik bij Arón te blijven, in de hoofdstad. Zij, van haar kant, aanvaardde een leerstoel opvoedingsgeschiedenis in de provincie waar ze vandaan kwam, in de bergen, en vanaf dat moment zagen we elkaar nog maar heel af en toe.

Lees méér van WPG