Visionaire poëzie van een groot talent
De derde dichtbundel van Delphine Lecompte is de eerste. Haar eerste ambitieuze, voldragen worp. Er wordt afgerekend met surrogaatvaders en er is geen plaats meer voor kleingeestige vetes. De moeder hoeft niet vermoord te worden en de muze wordt driedimensionaal. Het zijn ik-gedichten, maar het is wel een ik die genadig is voor anderen. Voor zichzelf blijft ze compromisloos spottend en kastijdend.
Hij denkt dat ik bluf
wanneer ik zeg dat ik pyromanie en veertien kortverhalen in mij draag
hij rilt ongewild en verandert van onderwerp
ik hou niet van zijn onderwerpen (overspel en heraldiek)
maar ik ben verslaafd aan de luchtigheid die hij ’s ochtends draagt.
(uit ‘Zonder kaarten ben ik ongeslagen’)

