Drie keer in je leven het roer negentig graden omgooien: Koen Strobbe (53) heeft het gedaan. Ooit was hij een jonge baas in de wereld van reclame en media. Daarna trok hij met zijn vrouw naar de Provence om er wijn te verbouwen die in de restaurants van Peter Goossens en Sergio Herman werd geschonken. En vorig jaar ging Strobbe thrillers schrijven. Hij won een prijs met zijn debuut (Kruis en Munt), schreef een boek met Pieter Aspe (Blankenberge Blues) en nu ligt een nieuwe misdaadroman in de winkels. In Het Laatste Nieuws praat hij met passie over leven en werken in de Provence, zijn schrijverschap en De wolf van Colombes.

Over De wolf van Colombes

En nu is er De Wolf Van Colombes, een verhaal dat zich net als Kruis En Munt in de Provence afspeelt. Die Provence is bij Strobbe niet het zonnige land van rosé, olijven en lavendel waar Vlamingen zo graag met vakantie gaan, maar een streek waar harde, achterdochtige boeren en hun nakomelingen wonen, die om te overleven al eeuwen vechten tegen de weerbarstige natuur en tegen elke bedreiging van buitenaf. Ze slepen vetes mee en verborgen familiegeschiedenissen die wegen en branden als de hitte van de zomer. Op de grond van zijn Provence doen niet alleen rozemarijn en meloen het goed, maar ook passiemoorden en afrekeningen. “De Provence doet me vaak denken aan een Vlaanderen dat in mijn jeugd, in de jaren zestig en zeventig, al aan het verdwijnen was”, zegt Strobbe. “Ik kende het eigenlijk alleen van de familiebezoeken in West-Vlaanderen. Een gesloten gemeenschap. Hard werken was het hoogste goed, zwijgen was beter dan spreken en voortdurend werd de schijn er opgehouden. Een beklemmende samenleving, waar aan allerlei regeltjes beantwoord moest worden. Zo is de Provence ook.”

Over het leven als wijnbouwer

“Ik wilde al mijn hele leven met mijn handen werken”, zegt Strobbe. “Mijn jongensdroom was om timmerman te worden. We gingen echt niet naar Frankrijk met het idee om daar een luilekkerleven te leiden. Ik ging in de leer bij een oude wijnboer, mijn vrouw schreef zich in in de landbouwschool, na maanden zoeken kochten we een geschikt domein en we begonnen, als twee echte boeren. Minder werken dan vroeger deden we zeker niet, maar we deden het samen. En we hadden maar één baas meer: het weer. Pas nu we het wijndomein hebben verkocht, beseffen we wat voor een stress de natuur ons vijftien jaar lang heeft bezorgd. Willen of niet, elke dag ben je ermee bezig. In 2008 hebben we – net zoals iedereen in de streek -helemaal niks geoogst. Het had heel de maand mei geregend, je kon met de tractor de velden niet op, dus kon je ook niet sproeien en werden alle planten ziek. Dat zijn zware klappen.”

Over zijn deelname aan de Aspe Award

“Ik was bezig tussen mijn wijnstokken toen de telefoon ging. Het was Pieter Aspe zelf. Ik had de tweede prijs gewonnen, zei hij. Ik begon te vloeken. Tja, ik kan er ook niet aan doen: als ik iets doe, wil ik graag winnen. Maar Aspe zei me dat ik helemaal geen reden had om teleurgesteld te zijn en dat Natalia destijds ook tweede geëindigd was in ‘Idool’ en dat niemand nog wist wie er toen had gewonnen. (Dat was Peter Evrard, red.) Zijn boodschap was dat ik moest blijven schrijven.”

Over zijn toekomst als schrijver

Nu hij de tijd wel heeft, stromen de verhalen eruit. “In mijn hoofd heb ik al drie andere romans klaar en ik begin nu samen met Pierre (Pieter Aspe, red.) aan het vervolg op Blankenberge Blues. En er komen er nog, hebben we al afgesproken. We schrijven elk om beurt een stukje, en ik maak er één vloeiend geheel van. De eerste keer was Pierre uit een heel diep dal aan het klauteren, maar nu hebben we er allebei evenveel zin in.”

Over leven. En durven

Drie keer je leven radicaal omgooien, dát lijkt pas een echt risico. “Dat is het ook, je moet durven, maar als je het niet doet, ontzeg je jezelf veel. Als ik passie voor iets voel en er passeert een trein die me naar daar kan brengen, dan spring ik erop. Niet blind, maar toch zonder àl te veel afwegingen te maken. In het wijndomein hadden mijn vrouw en ik letterlijk al ons geld gestopt. Stel dat het niét gelukt was er iets van te maken, dan waren we dat geld nooit helemaal kwijt: de gronden en de stokken konden we altijd nog doorverkopen.”

“Het belangrijkste is dat ik nooit van iets ben weggelopen. Niet van België, niet van de reclame of van de media, en ook niet van het wijnbouwen. Ik ben altijd ergens naartoe gelopen omdat ik liever dáár wou zijn. Maar nu ben ik waar ik zijn wil, denk ik. Ik zie mezelf als schrijver oud worden in Frankrijk.”

Het volledige artikel lees je hier.

Lees méér van WPG