De Brulaap is een desolate reconstructie van een gouden ‘destijds’; een wanhopig samenpuzzelen van herinneringen aan een tijdperk waarna alleen nog diepe existentiële eenzaamheid tastbaar is. Zelden liet een auteur een scherpere landkaart achter van de door de lezer te bewandelen weg. Zelden was die tegelijk raadselachtiger.

4

Nu zijn wij vijftien en waait de wind ons de letters uit de mond. Onze woorden worden het sop op geslingerd, dan razendsnel in de lengte uitgerekt. Van op dit dek vertrekken woorden die langer en langer worden, die zich vermengen met het steeds luider wordende wateroppervlak, die er uiteindelijk helemaal in verdwijnen. Waren wij stripfiguurtjes, de woorden zouden langer en langer en kleiner en kleiner getekend worden naarmate ze van onze monden wegwaaien, ergens ver bovenaan op het papier boven een al even vaag getekend landschapssilhouet in het niets oplossen.

Op dit dek staan alle jongetjes die nu mannen zijn die ik al in jaren niet meer heb gezien. Hun lichamen zijn nog niet volgroeid, kleiner en smaller en leniger dan vandaag. Hun gezichten nog zonder verfijning, zoals de koppen van natte honden. Er wordt lacherig gedaan, plagerig, spanning draagt een speelse overjas. Hier staat geen zon pal boven ons, slechts een neveldek dat reikt tot waar de aarde buigt. Aan onze voeten hangt geen schaduw.

Ook ik sta hier, naar de verre stukjes land te kijken die ons omringen. De rechte lijn die twee grijsgetinte vlakken – deze vlakken zijn het water en de lucht – scheidt, is op sommige plekken iets dikker. In het oosten verdwijnt dit land meer en meer in de lijn, zoals het in het westen meer en meer uit de lijn komt geklommen, tot we dicht genoeg zijn en land een volwaardig derde vlak wordt. Ik zie hoe het grijs een donker groen wordt, hoe het middelste vlak, tussen hemel en water vastgehouden, zich nu ook in de diepte gaat ontrollen. Wat daarnet nog een in hoogte en breedte grijsgetint vlak was, openbaart zich nu als de naar het oosten toe opengesperde eilandmond, bruin en grijs van rotsen, groen van bomen en ander plantaardigs. In bovenaanzicht een bijna perfect getekende halve cirkel, deze baai waar wij recht naartoe varen.

In onze rugzakken, benedendeks opgestapeld, zit werkelijk alles: kousen, truien, broeken, zeep, noodrantsoen, boeken, papier, kleine gasfles, kleine kookpan, bestek, tandenborstel, wat nog en wat niet? Aan de buitenkant vastgegespt onze slaapzakken, slaapmatten, stukken van tenten, de zware stapschoenen van hen die er op dit moment niet mee op het dek staan.

Ook hier, op dit kleine eiland waar maar eens om de drie dagen deze boot aanmeert en weer wegvaart, zullen wij ons over velden voortbewegen. Ook hier zullen wij het hout zoeken want anders is er geen eten, schrijven en ontvangen wij brieven, van ouders, grootouders, een enkeling misschien van een meisje. Ook hier zullen wij geluiden maken die ik mij allang niet meer herinner. Al die verschillende looptrajecten van al die verschillende jongetjes in al die verschillende jaren, welk patroon zou ik hier kunnen terugvinden, in bovenaanzicht? Een tekening, een gezicht, een naam?
Een vraag of antwoord?
Dit is Schotland, het eiland genaamd Rùm, van drassig groen, waar wij op dit moment de baai binnenvaren, onze rugzakken dadelijk op de natte aanlegsteiger gegooid zullen worden. Wat beeld ik me in en wat is echt? In welk licht kijk ik terug, probeer dingen hier en nu te plaatsen? Ik plaats hier, en dat is achter mijn ogen want ik ben er niet, de onderdelen van een tweepersoonstent, op nat heidegras uitgestald. Ik plaats hier, en dat is achter mijn ogen want ik ben er niet, een enige wagen, die wij soms over achter struiken en kleine rotsen verscholen paden zagen rijden. Plaats ik hier reeds een gitaar?

Wat waren wij toen, in broeken van bruin fluweel en dikke grijze sokken en hemden van harde stof getooid? Wat groeide toen reeds, uit ons en tussen ons, waaruit in latere jaren nog zou gaan vertakken? Welke afdrukken die deze jongetjes ooit zullen achterlaten, worden hier op dit eiland reeds gedrukt? Welke pas vele jaren later en op andere plaatsen? Welke veel eerder? Wie zal nog veranderen wie blijft gelijk wie gaat ver wie blijft dicht wie? Een boom groeit vanuit de stam, dijt uit in hoogte en in breedte.
Van deze stam vallen stukken schors die wegwaaien of oplossen. Op de grond vind ik er niets van terug.

Ik houd een stok vast, lang en dun. Het stuk huid tussen mijn duim en wijsvinger klem ik onder een wig, dit is de plaats op de stok waar een tweede, een kleinere tak ontspringt. Deze kleinere tak heb ik daarnet afgebroken, zodat hiervan nu enkel nog een scherp stukje overblijft. De neerwaarts gebogen vertakking waarin ik mijn hand klem, omklemt mijn hand, rust erop. Had ik veel verbeelding, ik droeg nu een zwaard.
Rondom mij alle andere jongetjes, ook zij dragen stokken. Alle verkenners vormen nu een halve cirkel, een lijn die soms uitwaaiert of naar binnen buigt, maar altijd tot een halve cirkel terugkeert. Ik loop ongeveer in het midden, heb maar gewoon te wandelen, het tempo van de man voor mij volgend. Het lijkt alsof ik, tezamen met de jongetjes aan weerskanten van mij – met wie ik de basis van deze halve cirkel vorm – de anderen voortstuw. In werkelijkheid volgen ook zij het tempo en de bevelen van de man – hij draagt de grootste stok – die voor ons loopt. Als een halve maan waarvan de punten soms ver naar buiten reiken, elkaar soms bijna aanraken, bewegen wij ons in westelijke richting over dit eiland. Achter ons, verscholen achter gewassen, het kasteel. Iets verder, op de zuidelijke oever van de eilandmond, onze tentjes.
‘Stop!’
Allen houden halt. Wie durft nu een woord, enig geluid uitbrengen?
‘Steady… Forward.’
Alsof wij sluipen – maar wij sluipen niet – zo behoedzaam volgen wij de bevelen op. Enkele meters voor de man beweegt zich een kudde buffels in de richting van de stallen. Ik plaats hier twee buffels per verkenner. Ik plaats hier zes verkenners aan de ene kant van de weegschaal, niet genoeg om een buffel de hoogte in te doen gaan. Wat een beesten. Hoe klein zijn wij nu, die nooit verlegen zijn zichzelf op de borst te kloppen?
‘Outside faster!’
De buitenkanten, soms links, soms rechts, al naargelang aan welke kant een beest de kudde wil verlaten, moeten nu de pas versnellen, wilde gebaren maken met de stokken.

 

Hoe worden de beesten op stal gezet wanneer wij hier niet zijn?

 

Ik plaats op dit eiland onze lange haren, nu kort en verzorgd. De in flarden van heet rood en bij windzucht of waterdruppel witgloeiende kolen waar rook uit opstijgt. Deze rook wordt de eilandmond ingezogen, verdwijnt boven het water in nachtelijk donker. Rond dit vuur zitten voor een keer niet al die jongetjes die nu mannen zijn, slechts een enkel jongetje, waar is Hij nu? Waarom dit vuur, zo dicht bij de waterkant, enkel dit jongetje dat in halve cirkels hout aandraagt en minutieus verdeelt over en in en naast en rond dit vuur? Ook ik loop in halve cirkels, beschrijf een veel grotere halve cirkel dan Hij, van het water helemaal rond dat vuur en dan terug het water. Rondom nu eens hoger opflakkerend, dan weer ingetogener knisperend houtvuur, houd ik Hem in de gaten. Ik ben voorzichtig, hou me laag bij de grond, stil, waarom sluip ik dan? In mijn hand een lege kookpot.
Mij werd ingefluisterd – alles ter volbrenging van mijn opdracht – omzichtig te werk te gaan. Blijf laag bij de grond en beweeg je behoedzaam voort. Blijf geruisloos, ga op in het geluid van het water.
Ik wacht, geduldig.
Ik blijf mijn halve cirkel aflopen, mijn ogen blijven op dit smeulende middelpunt gericht, waar soms kleine vonkjes uit springen, geen vlammen meer. Ik bewonder het houten staketsel waarop stenen liggen waarop brandende kolen waar rook uit opstijgt. Daar bovenop legt Hij soms kleine takjes, zo droog mogelijk hout. Zijn opdracht is niet de mijne, vergt meer inzicht, fijne kunde. Toch mag Hij niet falen, speel ik dubbelspel?
Al uren werkt Hij aan dit drijvende vuur. Deze uren bracht ik door op de heuvelflank, aan de andere kant van de weg. Van tussen de stammen van naaldbomen zag ik alle jongetjes die opdrachten uitvoerden. Vanuit een weiland naast ons tentenkamp – op de achterkant van sommige tenten flakkeren de vlammen van een groot vuur – werden van tijd tot tijd kwade stemmen het eiland ingejaagd. Niet voor mij bestemd. Totemnamen, elke tien minuten een andere, dat twee uur lang. De ijsvogel wordt verwacht aan het Heilige Vuur. De kemphaan groet de Heilige Bijl. De Brulaap groet de Heilige Manitou.
Nu loopt de Brulaap af en aan, met materiaal ter versteviging van een drijvend vuur. De stukken hout die de basis vormen zijn dik en stevig, samengebonden met sjortouw. Hierop liggen de stenen die de buffer vormen tussen het vuur – dit wordt aangestoken zodra het teken gegeven is – en de drijvende houten basis. Hij lijkt klaar voor de tewaterlating, nog een keer over en weer met –
Nu moet ik mijn kans grijpen. Zo stil mogelijk loop ik – hoe stil kan iemand lopen? – op het onbewaakte vuur af. Het zachte ochtendlicht komt stilaan over de oostelijke horizon gebogen, van over het water wordt nu mijn pad verlicht. Een bodempje, meer niet. Bijna schep ik met een hand de rood en wit gloeiende kolen in de kookpot, door mijn lijf giert nu alles van adrenaline en opwinding en zenuwen. Met de zijkant van mijn schoen duw ik de kolen die ik denk nodig te hebben – een bodempje, meer niet – vanaf de stenen in mijn pot. Zie ik op dit moment Zijn zaklamp, die Hij in de mond klemt – de handen vol kreupelhout – in schokjes dichterbij dansen? Ben ik al lang weer op mijn steiger wanneer Hij bij Zijn vuur aankomt?
Kan iets vergeten worden dat misschien nooit gebeurd is?

Vanaf de oude steiger kijk ik de baai in, de ochtend gloort nu het felste lichtblauw. Door de wind voel ik waar ik daarnet gezweet heb, mijn zweet is een koude film. Ik schud met de kookpot, opdat zuurstof zich mengt met de brandende kolen en deze zo meteen hun werk kunnen doen. Ik wacht nu op het teken. In de verte zie ik een figuur door het water waden, enkel Zijn borst, hoofd en armen steken boven het oppervlak uit – ook Hem komt het er nu op aan tijdig de kolen aan te wakkeren.
Rondom deze baai zijn vier jongetjes op dit moment aan het sluitstuk van hun opdracht bezig. Aan drie van hen is verteld te wachten op het teken. Welk teken? Dat zul je wel zien. Mij werd toegefluisterd bij Hem wat kolen te gaan stelen. Een bodempje, meer niet, want het is Hij die mij het teken zal geven.
Op het uiteinde van deze oude steiger – van hieruit overschouw ik heel de baai – liggen tientallen boomstammetjes waaraan geen naalden meer zitten. Urenlang heb ik van de heuvelflank deze boompjes over de weg naar de steiger verplaatst, telkens twee boompjes achter mij aan slepend. Nu wacht ik op het teken. Aan de overkant van de baai – ik ontwaar geen jongetje – de vlammen van een vuur. Een eerste teken, ik moet nog wachten. Uit dit eerste vuur een tweede, ter hoogte van het kasteel, dit vuur loopt de kustlijn af. Ik werp mijn kolen tussen mijn stammetjes, begin alvast hevig met de takken te schudden, te blazen en met het deksel van de kookpot te wapperen. Nu ook het derde vuur – het drijvende vuur. Ik zie de Brulaap alle takken op een hoop leggen en blazen. Hij waadt verwoed, maakt snelle, zenuwachtige bewegingen, zorgt ervoor dat Zijn vuur mijn teken wordt.
Ik hoor nu mijn vuur knisperen, ik ben de laatste, wij zijn geslaagd.

Als verkenners willen wij, oprecht tegenover onszelf, de anderen en God, samen een weg zoeken in de wereld van mensen. Wij willen alles naar juiste waarde leren schatten en dienstbereid een antwoord geven. Daarom willen wij als vrienden tezamen leven, ons harden in de natuur, de wereld exploreren en ons bekwamen om eerlijk, stijlvol en blij de aanvaarde taken te voltooien.
De gemaakte afspraken, door ons aangegane beloften over uit te voeren taken, omvatten onderhoudswerk. Het intomen van de natuur, opdat deze begaanbaar, te bewonderen zou blijven. In kleine groepjes voorzien we muren en deuren, door het inbeuken van water en wind verflenst, van nieuwe likken verf, herstellen we stukke omheiningen en poortjes. Op dit eiland vullen wij alle gaten in de weg op, overhangende wildgroei knippen we ervan weg.

‘Ergens verderop stroomt een beekje, of een rivier, misschien staat het water er stil. Daarin zouden takken liggen, stokken dus. Of boomstammen. En die zijn ze er nu aan het uithalen.’ Dit wordt mij verteld door een jongetje dat door deze kamer heen en weer loopt. Dit jongetje voert het hoogste woord, is altijd druk in de weer met het doen van niets bijzonders. Alle ogen op hem gericht.
Het jongetje, klein en breed gestalte, staat nu op de snookertafel, in mijn herinnering heft hij de kin hoog, zoals Romeinse keizers dat deden. Bij elk belangrijk woord – waarbij wij telkens giechelen of voluit lachen – stampt hij plechtig met de schoen op de mooie houten tafelrand. Hij staart over onze hoofden naar schilderijen op de muur achter ons, waardoor het lijkt alsof wij op de voorste rij van een grote menigte staan, en hij alle mensen achter ons toespreekt. Wat zegt hij eigenlijk? Iets met bomen en stammen in een riviertje.
Wij bevinden ons in de buik van Kinloch Castle, het kasteel dat uitkijkt over de eilandmond. In deze warme kamer – waar de regen langs de ruiten kleine stroompjes vormt die onophoudelijk in elkaar overlopen en van richting veranderen – doen wij niets bijzonders. Af en toe lachen wij en prijzen wij ons gelukkig deze verborgen uithoek – hoe verborgen kan een kasteel zijn? – te hebben ontdekt, waar niemand ons zal komen zoeken. Ik denk dat iemand een sigaret rookt – wij zijn vijftien en roken sigaretten – dat grijze rook meer helblauwe wordt naarmate hij in de richting van de felle kamerlamp drijft.
De kleine orator draagt ons op hier en nu een pact te sluiten, waarbij het verboden wordt met buitenstaanders te praten over deze plek. ‘Alleen zo kunnen wij er zeker van zijn niet te moeten deelnemen aan de opruimwerken die momenteel plaatsvinden in de rivier ergens verderop.’ Alle vier de toehoorders knikken instemmend. Wij zitten hier goed.

Onder de spoorbrug lekt het. Jarenlang lekken heeft grillig wit in de grijze steen geslepen. Ik voel de vochtige laag die zich hier voor eeuwig over de stenen heeft gelegd, kan er met mijn vinger een naam in schrijven. Hoe hard regent het, dat water door een brug valt, er dwars door sijpelt? In de zomer lekt hier ook vloeibaars naar beneden, hoe warm is het dat – – Onder deze brug zijn sommige straatstenen spekglad – ze glimmen donkerzwart, zoals rotsen in een branding. Lange jaren hebben hier alle oneffenheden weggelekt. Elke tien seconden valt een druppel in het midden van een met de jaren verder uitdijende natte cirkel.
Ik loop graag langs de sporen, op begane grond waarlangs bermen en bruggen oprijzen waarover treinen nooit denderen, altijd maar versnellen of vertragen. Om het even welke bestemmingen, die allemaal uit deze sporen spruiten, zijn voor mij veilige toevluchtsoorden, waarheen ik soms moet om niet veel later terug te kunnen keren. Wat ik mij soms afvraag, in de minuten tussen het te bed gaan en het slapen zelf, hoe zal ik sterven? Hoe dat laatste moment te beleven, wanneer het besef komt dat alles wat ooit gebeurd is, dadelijk zal vervallen, helemaal uitgewist zal worden? Wat is om het even welke nalatenschap waard? Het geheim van het leven, genieten van de tijd die passeert, zong iemand nog.
In deze stad ruist niets uit de bomen, hier woedt wel de mens.

Lees méér van WPG