Er is weer een nieuwe, razend spannende thriller van bestseller auteur John Grisham: De oplichters, waarin drie rechtenstudenten, Mark, Todd en Zola, het heft in eigen handen nemen. Ze hebben zich alle drie door hun studie zwaar in de schulden gestoken en hun toekomst in de advocatuur ziet er somber uit. En wanneer ze erachter komen dat de universiteit het eigendom is van een dubieuze hedgefondsmanager… Maar misschien is er een uitweg. De drie bedenken een spectaculair plan, met een bijzonder kleine slagingskans. Lees hier alvast een fragment!

Het was het einde van het jaar, met de gebruikelijke feestdagen, maar er was weinig te vieren in het huis van de Fraziers. Mevrouw Frazier versierde een kleine kerstboom, pakte een paar goedkope cadeautjes in, bakte koekjes die niemand wilde en had zoals altijd De notenkraker non-stop aanstaan, terwijl ze dapper in de keuken stond te neuriën alsof het écht een feestelijke tijd was.

Maar dat was dus helemaal niet zo. Meneer Frazier was drie jaar geleden vertrokken, en werd meer veracht dan gemist. Hij was al snel bij zijn jonge secretaresse ingetrokken die, zoals later bleek, toen al zwanger was. Mevrouw Frazier – afgewezen, vernederd, platzak en depressief – had daar nog altijd moeite mee.

Louie, haar jongste zoon, had huisarrest – voorlopig vrij, zou je kunnen zeggen – en had een zwaar jaar voor de boeg nu hij was beschuldigd van drugshandel en zo. Hij deed geen enkele moeite om een cadeautje voor zijn moeder te kopen. Zijn excuus was dat hij het huis niet uit kon doordat hij in opdracht van de rechter een enkelband droeg. Maar zelfs zonder die enkelband verwachtte niemand dat Louie de moeite zou nemen cadeautjes te kopen, want het jaar daarvoor en het jaar dáárvoor droeg hij geen enkelband en had ook toen niet de moeite genomen inkopen te doen.

Dat was toevallig dezelfde maand waarin Louie’s proces op de rol stond.
Mark, de oudste zoon, was even naar huis gekomen tijdens zijn zware rechtenstudie. Hij was weliswaar nog armer dan zijn broer, maar had wel parfum voor zijn moeder gekocht. Hij zou in mei afstuderen, in juli rechtbankexamen doen en in september gaan werken voor een advocatenkantoor in D.C. Dat was toevallig dezelfde maand waarin Louie’s proces op de rol stond. Louie’s zaak zou echter om twee heel goede redenen niet plaatsvinden. Ten eerste was hij door undercoveragenten betrapt toen hij tien zakjes crack verkocht – dat stond zelfs op video – en ten tweede kon Louie noch zijn moeder een goede advocaat betalen om dat probleem op te lossen. In deze kerstvakantie zinspeelden Louie en mevrouw Frazier er af en toe op dat Mark best kon aanbieden zijn broer te verdedigen: het zou toch zeker geen probleem zijn om de zaak tot later dat jaar uit te stellen, nadat Mark was toegelaten tot de balie; het was immers al bijna zover? En zodra hij zijn vergunning had hoefde hij toch alleen nog maar zo’n formele fout te vinden waar je weleens over leest waardoor de aanklacht zou worden ingetrokken?

Er zaten een paar enorme gaten in deze leuke droom, maar Mark weigerde ze te bespreken. Toen duidelijk werd dat Louie van plan was om op nieuwjaarsdag ten minste tien uur op de bank te blijven liggen om naar zeven bowlingwedstrijden op rij te kijken, verliet Mark stilletjes het huis en ging naar een vriend. Toen hij die avond thuiskwam, nadat hij met drank op in zijn auto was gestapt, besloot hij ervandoor te gaan. Hij wilde terug naar D.C. en de tijd doden in het advocatenkantoor waar hij binnenkort zou gaan werken. De colleges begonnen pas weer over een kleine twee weken, maar nadat hij tien dagen naar Louie had geluisterd die zat te klagen en te zeuren over zijn problemen, om nog maar te zwijgen over het non-stop draaien van De notenkraker, had Mark het helemaal gehad en kon hij niet wachten om terug te gaan naar law school voor het laatste semester van zijn rechtenstudie.

Ik hoef hem niet op te voeden. Ik heb mijn eigen problemen.
Voordat hij ging slapen zette hij zijn wekker op acht uur. Terwijl hij koffiedronk met zijn moeder vertelde hij haar dat hij nodig was in D.C. Sorry dat ik iets eerder weg moet dan je dacht, mama, en sorry dat ik je hier alleen laat met je slechte zoon, mama, maar ik ben weg. Ik hoef hem niet op te voeden. Ik heb mijn eigen problemen.

Het eerste probleem was zijn auto, een Ford Bronco waar hij al sinds high school in reed. De kilometerteller was blijven steken op 301.000 kilometer, en dat was al halverwege college gebeurd. De auto had dringend een nieuwe brandstofpomp nodig, een van de vele ‘te vervangen onderdelen’ op de urgentielijst. Mark slaagde er met tape en paperclips al twee jaar in om de motor, de versnellingsbak en de remmen provisorisch te laten functioneren, maar dat was hem met de brandstofpomp niet gelukt. Die werkte wel, maar met minder capaciteit dan normaal, zodat de maximumsnelheid van de Bronco op vlak terrein 78 km/uur was. Om te voorkomen dat hij op de snelweg door vrachtwagens werd ingehaald, reed Mark alleen op de provinciale wegen van Delaware en de Oostkust, waardoor de rit van twee uur van Denver naar het centrum van D.C. twee keer zo lang duurde.

Zodoende had hij zelfs nog meer tijd om over zijn andere problemen na te denken. Probleem nummer twee was zijn benauwende studieschuld. Hij had zijn college-opleiding afgerond met een studieschuld van 60.000 dollar, maar zonder baan. Zijn vader, die op dat moment gelukkig getrouwd leek maar ook schulden had, had gezegd dat hij niet verder moest studeren. Hij had gezegd: ‘Verdomme, jongen, je hebt vier jaar gestudeerd en hebt al een schuld van 60.000 dollar. Stop met studeren voordat het nog erger wordt.’ Mark vond het echter niet verstandig om de financiële adviezen van zijn vader aan te nemen, zodat hij een paar jaar als barkeeper en pizzabezorger werkte en ondertussen steggelde met zijn geldschieters. Achteraf gezien wist hij niet meer waar het idee om rechten te gaan studeren vandaan was gekomen, maar hij wist nog wel dat hij een gesprek had gehoord tussen twee studenten die over belangrijke kwesties praatten en ondertussen stevig dronken. Mark was de barkeeper, het was niet druk in de bar en na de vierde wodka-cranberrysap praatten ze zo luid dat iedereen hen kon verstaan. Van de vele interessante dingen die ze hadden gezegd, had Mark er altijd twee onthouden: ‘De grote kantoren in D.C. nemen ongelofelijk veel mensen in dienst.’ En: ‘Het aanvangssalaris is 150.000 dollar per jaar.’

‘De grote kantoren in D.C. nemen ongelofelijk veel mensen in dienst.’ En: ‘Het aanvangssalaris is 150.000 dollar per jaar.’
Niet lang daarna kwam hij een vriend tegen met wie hij op college had gezeten, en die nu eerstejaarsstudent was aan de Foggy Bottom Law School in D.C. De vriend vertelde uitgebreid over zijn plannen om zijn studie binnen tweeënhalf jaar af te ronden en vervolgens voor een dik salaris bij een groot advocatenkantoor te gaan werken. De Feds – de Amerikaanse nationale bank – verstrekte probleemloos studieleningen, iedereen kon zich aanmelden en, ja natuurlijk, als hij klaar was met zijn studie had hij een torenhoge schuld, maar die zou hij binnen vijf jaar hebben afgelost. Zijn vriend vond het in elk geval heel normaal om met deze schuld ‘in zichzelf te investeren’, omdat hij daarmee zijn toekomstige inkomsten veiligstelde.

Mark hapte in het aas en begon te studeren voor de Law School Admission Test – het toelatingsexamen voor law school. Zijn score was een niet bepaald indrukwekkende 146, maar dat vond de toelatingsinspectie van Foggy Bottom Law School (FBLS) geen probleem. Datzelfde gold voor zijn nogal lage gemiddelde college-eindcijfer van 2,8. FBLS accepteerde hem met open armen. Zijn aanvraag voor een studielening werd snel goedgekeurd, waarna het ministerie van Onderwijs probleemloos elk jaar 65.000 dollar overmaakte naar Foggy Bottom. En nu, met nog één semester te gaan, zag Mark moedeloos de realiteit onder ogen: na zijn afstuderen had hij een studieschuld – voor college en universiteit, plus rente – van in totaal 266.000 dollar.

Een ander probleem was zijn baan.
Een ander probleem was zijn baan. Op dat moment was de banenmarkt minder sterk dan werd beweerd, en ook minder levendig dan FBLS in glanzende brochures en op bijna frauduleuze websites had doen voorkomen. Afgestudeerden van de beste law schools kregen nog altijd een baan met een jaloersmakend salaris. Maar FBLS was bij lange na geen topfaculteit. Mark had een baan bemachtigd bij een middelmatig advocatenkantoor dat zich specialiseerde in ‘overheidsrelaties’, wat eigenlijk gewoon lobbyen betekende. Zijn aanvangssalaris was nog niet vastgesteld; het managementteam van het kantoor zou namelijk pas begin januari bij elkaar komen om de winst van het vorige jaar te bekijken en pas dan de salarisstructuur vaststellen. Over een paar maanden zou Mark een belangrijk gesprek moeten voeren met zijn ‘salarisconsulent’ over het aflossen van zijn studieschuld en beginnen met de terugbetaling ervan. Deze consulent had al eerder zijn bezorgdheid uitgesproken over het feit dat Mark niet wist hoeveel hij zou gaan verdienen. Mark maakte zich daar ook zorgen over, vooral omdat hij geen enkel vertrouwen had in de medewerkers van het advocatenkantoor met wie hij had gesproken. Hoe hij ook probeerde zichzelf voor de gek te houden, diep vanbinnen wist hij heel goed dat zijn baan helemaal niet zeker was.

Een ander probleem was zijn rechtbankexamen.
Een ander probleem was zijn rechtbankexamen. Door de grote vraag was de D.C.-versie hiervan een van de zwaarste van het land, en afgestudeerden van FBLS waren daar met alarmerende aantallen voor gezakt. Nogmaals, de beste law schools van de stad scoorden goed. Vorig jaar was het slagingspercentage van Georgetown 91 procent en van George Washington 89 procent, maar FBLS fbls een armzalige 56 procent. Om te slagen moest Mark nu, begin januari, meteen in de boeken duiken en de komende zes maanden continu keihard studeren.

‘Is dit een grap?’ ‘Zijn we beetgenomen?’ ‘Waar is al het geld naartoe gegaan?’
Maar daar had hij domweg niet genoeg energie voor, vooral niet in deze koude, sombere, deprimerende winter. Soms drukte zijn schuld als een loden last op hem: lopen ging moeizaam, glimlachen was moeilijk, hij was arm en zijn toekomst, zelfs met die baan, zag er niet goed uit. En dan was hij nog een van de gelukkigen. De meeste studiegenoten hadden wel een lening, maar geen baan. Achteraf gezien  had hij het gemopper zelfs in zijn eerste studiejaar al gehoord, en elk semester werd de stemming op school slechter en werden de sombere vermoedens sterker. De banenmarkt verslechterde. Iedereen op FBLS schaamde zich voor de resultaten van het rechtbankexamen. De studieschuld werd steeds hoger. Nu, in zijn derde en laatste jaar, was het niet ongebruikelijk dat de studenten tijdens colleges met de hoogleraren in discussie gingen. De decaan kwam zijn kantoor niet meer uit. Bloggers uitten felle kritiek op de faculteit en stelden keiharde vragen: ‘Is dit een grap?’ ‘Zijn we beetgenomen?’ ‘Waar is al het geld naartoe gegaan?’

In uiteenlopende mate vond bijna iedereen die Mark kende dat 1) FBLS een kwalitatief slechte law school was die (2) te veel beloofde, (3) te veel geld in rekening bracht, (4) een te hoge studieschuld aanmoedigde, terwijl ze 5) heel veel middelmatige studenten aannamen die niets te zoeken hadden op een law school, en (6) niet goed waren voorbereid op het rechtbankexamen of (7) te dom waren om ervoor te kunnen slagen.

Dat vonden Mark Frazier en zijn vrienden geen probleem; zij zouden de komende vier maanden wel doorkomen, vertrekken en nooit meer terugkomen.
Het gerucht ging dat het aantal aanmeldingen voor FBLS met vijftig procent was gedaald. Omdat FBLS geen overheidssteun kreeg, en geen donaties, zou een dergelijke daling tot allerlei pijnlijke bezuinigingen leiden, waardoor een toch al slechte law school alleen maar nog slechter zou worden. Dat vonden Mark Frazier en zijn vrienden geen probleem; zij zouden de komende vier maanden wel doorkomen, vertrekken en nooit meer terugkomen.

Lees méér van WPG