Mercedes Van De Cloot, de negende gravin van Blaasveld, werkt aan een filosofisch-misogyn meesterwerk dat haar nijpende geldzorgen moet oplossen. De jonge Nigeriaanse vluchteling Jenesepa Oghenekohwo, die voortreffelijk Nederlands en ook dactylo heeft geleerd bij de blauwe benedictijnen van Ikare-Akoko, komt bij deze historische taak als geroepen. Helaas dwingen dezelfde nijpende geldzorgen Mercedes tot een zwervend en door iedereen opgejaagd bestaan met Jenesepa, haar jonge tweeling Isaac en Chavez, haar doofstomme butler Albert Shiverdecker, haar huishoudster Helga Glatzer-Schneeberg en haar pratende (en zeer scabreuze) beo Yvette. Zal In elke vrouw schuilt haar moeder tijdig klaar zijn om de ondergang van het gezelschap te kunnen verhinderen?

Ze noemen mij Felix Notenboom, maar mijn echte naam is Jenesepa Oghenokohwo. Correctie: dat is niet écht mijn echte naam – het is te zeggen: het is de naam die op mijn paspoort staat, maar het is niet de juiste. Toen ik geboren werd, was mijn vader te dronken om aangifte te doen en stuurde hij zijn achterneef Jengo naar de burgerlijke stand in Ikare-Akoko. Jengo was, een dagreis te voet later en lang niet de slimste zijnde, vergeten dat mijn vader mij Terence wilde noemen, naar Terence Hill, zijn favoriete actieheld. Hoe Jengo ook zijn hersens pijnigde, hij kwam er niet op. De ongeduldige bediende had geen zin in gedoe en noteerde, nadat hij drie keer ‘Prénom?’ had geblaft, keurig wat hij hoorde.

De ongeduldige bediende had geen zin in gedoe en noteerde, nadat hij drie keer 'Prénom?' had geblaft, keurig wat hij hoorde.

Mijn moeder heeft van dat grapje nooit geweten, want zij was toen al dood. Zij schonk mij het leven, ik nam het hare af. Mijn vader heeft evenmin plezier aan mij beleefd, want hij stierf vier weken later aan de gevolgen van stuk gezopen nieren. En zo werd ik, nog maar pas op aarde, wees. Misschien maar goed ook. Misschien was ik, met normale ouders en in een normaal Nigeriaans gezin in een doodgewoon Nigeriaans dorp, tussen de andere kinderen blijven zitten, luisterend naar een duffe onderwijzer die met zijn meetlat letters op het versleten schoolbord aanwees en eiste dat wij ze zouden herhalen, als een kudde dwaze lammeren. En elke middag te voet naar huis, trappend tegen een zelfgemaakte bal en de meisjes pestend, of op een roestige fiets, en thuis een zeurende moeder en een chagrijnige vader, een paar schrale kippen op het erf en een mager, piepend biggetje, en dan te bed, en zo maar voort, tot ik op een dag een vrouw zou ontmoeten, die eerst aardig en lief voor mij zou zijn en mij zou verwennen en mij mooie woordjes zou toefluisteren als ik ’s avonds bij haar in bed zou liggen, maar die gaandeweg de sikkeneurige tang zou worden die haar moeder haar jarenlang had voorgespeeld, het klagende wijf waarvan zij  had gezworen dat het nooit in haar zou opstaan. Een meisje is slechts een voorspel. Haar frisse, zoete huid is maar de schil, haar geschater is als het gezang van de nimf op de Lorelei die onze blik van de vaarroute wil afleiden. Binnen in haar schuilt het klokhuis, de ruwe, zure pit die vroeg of laat zal ontkiemen, en die de Vrouw zal voortbrengen voor wie nooit iets deugt, die overal tegen opziet en die kijft, kijft, kijft tot men zich afvraagt: wat valt er nu in godsnaam nog te kijven?

En zo werd ik, nog maar pas op aarde, wees. Misschien maar goed ook.

En zelfs dan zal zij iets vinden, zegt de negende gravin van Blaasveld.

Ik mag mijzelf gelukkig prijzen dat dit alles mij bespaard is gebleven. Dat ik, hopeloos en bang, de deur van het weeshuis achter mij heb dichtgetrokken, vervolgens als tiener de moeilijke tocht naar het Noorden heb ondernomen, dat ik  braaf mijn asielaanvraag heb ingediend en daarna genoeg geduld heb geoefend, totdat het Lot mij gunstig gezind werd en mij in de armen joeg van Mercedes Van De Cloot, de negende gravin van Blaasveld, mijn herderin, mijn idool, mijn Alles.

Lees méér van WPG