Toen Demian Vitanza schrijfles gaf in een van de zwaarst beveiligde gevangenissen van Noorwegen ontmoette hij Tariq, een jonge Noors-Pakistaanse gevangene die in Syrië was geweest en er had deelgenomen aan terroristische activiteiten. ‘Ik wil dat je mijn verhaal opschrijft’, zei hij aan Vitanza. Demian Vitanza, toneelschrijver en een van de beste Noorse schrijvers van dit moment, sprak meer dan honderd uur met een terugkeerder. Het resultaat, In dit leven of het volgende, is een verhaal over een jonge man die gedreven werd door idealisme en een steeds sterker wordende geloofsovertuiging, die zich nu voortdurend vragen stelt bij de gebeurtenissen die hem uiteindelijk midden in de nacht tot aan de Syrische grens brachten.

Rudi Vranckx schreef het beklijvende voorwoord en verwoordt het zo.

“Die dag zal ik nooit vergeten. Ik wil vertellen als journalist, documentairemaker en schrijver wat daar echt gebeurt. Maar meer nog dan dat wil ik begrijpen hoe dit mogelijk is. Welke zijn de frustraties die ertoe leiden? Welke verlokkingen kunnen mensen zover krijgen? Niet iedereen is een psychopaat of crimineel van geboorte. Dat zou te gemakkelijk zijn als verklaring, een zwaktebod. Jihadi word je. Daarom wil ik graag in hun hoofd kruipen. Dat heb ik ook geprobeerd in mijn documentaire IS in het vizier of het boek Harde tijden. Die ene dag in het safehouse liet me toe een blik te werpen, een tip van de sluier op te lichten. Dichterbij dan dat kan ik niet komen als journalist en waarnemer. Dit probleem dat onze tijd verscheurt, vraagt om meer, om een andere benadering ook. Dat is wat Demian Vitanza en Tariq doen in In dit leven of het volgende. Ze bedrijven geen  klassieke journalistiek, maar schrijven een verhaal.

Ik wil vertellen als journalist, documentairemaker en schrijver wat daar echt gebeurt. Maar meer nog dan dat wil ik begrijpen hoe dit mogelijk is. Welke zijn de frustraties die ertoe leiden? Welke verlokkingen kunnen mensen zover krijgen?

Demian Vitanza gaf schrijfles in een van de zwaarst beveiligde gevangenissen van Noorwegen toen hij Tariq ontmoette. ‘Ik wil dat je mijn verhaal opschrijft,’ zei hij tegen Vitanza, ‘maar het moet in de vorm van een roman.’ Het klinkt misschien vreemd voor een journalist en documentairemaker, maar ik begrijp die keuze. Meer zelfs: ze fascineert me. Vitanza laveert tussen fictie en non-fictie, de werkelijkheid wordt een persoonlijke vertelling. Het boek is gebaseerd op meer dan honderd uur aan gesprekken. Tariqs wereld, zijn eigen getuigenis, is de ruggengraat. Dat geraamte krijgt pezen, spieren en vet, tot het een mens wordt van vlees en bloed, met de littekens die zijn karakter vormen. Op die manier komt Tariq ook een beetje uit het hart en het hoofd van de auteur, vermoed ik. De schrijver is iemand die meer doet dan de pen vasthouden en noteren.

In dit persoonlijke verhaal wordt de Syriëstrijder meer dan een vlinder die we als onderzoeker tegen het bordkarton prikken terwijl we hem dissecteren en zo objectief mogelijk beschrijven. Tariq vertelt ons zelf wat hem gemaakt heeft tot wie hij is. Hij neemt ons mee op zijn zwerftocht tussen twee werelden. Hoe gemakkelijk wordt geweld iets van alledag? Hoe worden jihadi-‘monsters’ jongemannen met gevoelens? Je raakt benieuwd naar hun lotgevallen. Dit boek is confronterend. Om de hoek loert altijd de kritiek dat we door te veel begrip te tonen ook het kwade goedpraten. Is dat niet wat die terroristen willen? Maar hoe kunnen we het anders begrijpen? Dit boek schetst ‘de extremist’ als een mens die meegesleurd wordt, twijfelt en keuzes maakt in zijn leven. Misschien vinden we zo de sleutel tot een oplossing. En zoeken we die niet allemaal, de sleutel tot datgene wat zo moeilijk te begrijpen valt? Tariq is een jongeman gevangen in een wereld van vervreemding, extremisme en uiteindelijk geweld. Die wereld fascineert ons en boezemt ons tegelijk ook angst in. Zo oncontroleerbaar ook, voor wij die willen begrijpen – dat zijn journalisten, psychologen, politiemensen en in de eerste plaats gewoon burgers van deze samenleving vol twijfels en woede, lezers zoals u en ik.”

Tariq over ‘de logica’

“Bij Maximat kreeg ik meer verantwoordelijkheid in het magazijn, bestuurde de heftruck en was wat meer op mezelf. Verplaatsen en wegzetten. Op een gegeven moment zag ik het niet eens meer als voedsel, het was meer Tetris spelen op grote schaal. Goederen erin, goederen eruit, links, rechts. Ik kon op mijn heftruck rondrijden en in m’n eentje mijn werk doen. En als het tijd was voor het gebed, had ik het alarm op mijn mobieltje in de trilstand staan. Full stop. Liet de heftruck staan waar hij stond en ging bidden.

In de kleedkamer.

In de hoek.

Ook een paar anderen, het hing er een beetje van af welke ploeg het was. Ik herinner me vooral een Senegalees, die eerder in zijn leven op weg was geweest om een behoorlijk goede voetballer te worden. Hield zich bezig met vrouwen en feesten en verdiende massa’s geld. Maar hij kreeg het gevoel dat het allemaal fake was, omdat hij zoveel had om God dankbaar voor te zijn, dus stopte hij met het hele circus en ging in plaats daarvan bij de Maximat werken, kun je je voorstellen? Hij was opgegroeid als straatschooiertje, weet je wel, en hij bad en bad en bad voor een betere toekomst. Toen won hij de jackpot, kwam in Noorwegen terecht als adoptiekind of zoiets en had het gevoel dat hij bij God in het krijt stond.

Hoe dan ook, de Senegalees en ik plus twee wat oudere Somaliërs gingen elke keer dat het er tijd voor was bidden, en daarna liepen we weer door de winkel en voelden ons ontzettend lekker. Bidden geeft je een soort mentale boost, snap je? De andere  moslims die daar werken waren minder praktiserend, maar als ze ons na het gebed naar buiten zagen komen, kregen ze last van hun geweten en zeiden altijd dat ze de volgende keer zouden meedoen. Sommigen gingen trouwens inderdaad meedoen na een poosje. Maar vooral die Senegalees sloeg nooit een gebed over. Ik weet nog dat hij zei dat ons werk halal was en dat we het goed moesten doen. Niet voor de chef, maar voor God. ‘God ziet alles, maar de chef merkt niet of je een enkel detail goed of slecht doet.’ Dat maakte indruk op mij. Van die stomme dingetjes, zoals wat plasticafval onder een van de rekken laten liggen of een beetje slordig schoonmaken, daar zou de chef nooit iets van gezegd hebben, maar toch deed ik alles zo goed mogelijk.

Waarom wordt eigenlijk over al die dingen gediscussieerd? Omdat de samenleving ons wil buitensluiten, realiseerde ik me. Het onkruid verwijderen. Snap je hoe dat voelt? Dat je inziet dat je onkruid bent.

Op een dag ging het flink mis. Iemand had een hakenkruis op de personeels-wc getekend en daar met grote letters ALLAH boven geschreven. Om eerlijk te zijn vond ik het nogal triest. Niemand wist wie het had gedaan en ik had eigenlijk geen zin om het erover te hebben met de Zweden of Noren. Ik liet het overwaaien. Maar in de pauzeruimte tijdens de lunch, weet je wel, hoorden we iemand schreeuwen ‘wat de fuck is dit?’ Het was de Senegalees, die altijd zo rustig en beheerst was. Nu flipte hij compleet. ‘Nou, welke klootzak heeft dat geschreven? Als je een vent bent dan sta je nu op, laffe hond.’ En ik herinner me dat hij toen iets zei als, ‘wacht maar, ineens blazen ze hier ook de boel op’. Hij was ontzettend kwaad, die gast, dus de verantwoordelijke chef ging naar hem toe en probeerde hem te kalmeren. Dat was ook een Somaliër, godsamme wat een hypocriet, probeerde de situatie weer rustig te krijgen door ‘broeder, broeder…’ te zeggen. Hij was een van degenen die feitelijk niks om de islam gaven, maar toen was het dus ineens ‘broeder, broeder’. Dus ja, dat soort dingen, je merkte dat er overal spanning was.

Als ik op de heftruck door het magazijn reed, had ik mijn radio aan. Naarmate ik geloviger werd moest ik steeds minder hebben van muziek. Luisterde in plaats daarvan naar praatprogramma’s en het nieuws. Zowat alles wat je hoorde, was islam, islam, islam, weet je wel, cartoons hier, terreur daar, en daar middenin weer eens een discussie over vrijheid van meningsuiting. Steeds opnieuw, ‘het is hun probleem als zij zich gekwetst voelen’ enzovoort. Dat kwam bij mij binnen. Ik dacht, hoezo? Waar komt die behoefte vandaan? Terwijl ik daarover nadacht, viel er ineens iets op zijn plek. Waarom wordt eigenlijk over al die dingen gediscussieerd? Omdat de samenleving ons wil buitensluiten, realiseerde ik me. Het onkruid verwijderen. Snap je hoe dat voelt? Dat je inziet dat je onkruid bent.

De reden om die discussie op te stoken moest wel zijn om haat en afstand te creëren tussen moslims en Noren. En toen gebeurde dat, ik weet niet meer of het nou was dat Dagbladet die cartoons had afgedrukt of dat het die film was, je weet wel, Innocence of Muslims, maar ik herinner me dat we ons verzamelden na het gebed, een groep moslims op een parkeerplaats, en de toestand bespraken. Er was er een die een parallel met Breivik trok. ‘Zijn er dan alleen maar Breiviks in dit land?’ Het gevoel dat we echt onder vuur lagen, snap je?

Ja, toen kwam ik iets tegen op Facebook over een demonstratie op Youngstorget, dat plein in Oslo, en besloot erheen te gaan om mijn steun te betuigen. Het was ergens in september 2012. Ik kreeg Kushtrim mee, de Albaniër, en vertrok naar Oslo. De hele weg ging het erover, weet je wel, dat ze zich zouden moeten richten op het bekritiseren van de terroristen, niet de religie.

We waren vroeg, er waren nog maar weinig mensen, maar de politie was overal. Ze stonden rondom het plein ons te observeren en boven ons hing een helikopter te ronken. Ze hadden er zelfs bewakers van Securitas bij gehaald. Over je verdacht gemaakt voelen gesproken. Ik dacht al dat de opkomst behoorlijk zou tegenvallen, maar toen kwam die, hoe heet ie ook alweer, die van de Rabitamoskee, Aftab, met een stel andere imams. Uit de luidsprekers klonk een lied, een nashid ter ere van de Profeet, vrede zij met hem. In vijf minuten zag het zwart van de mensen op het plein. Van alle kanten kwamen ze toestromen.

Ik geloof niet dat het specifiek religieuze mensen waren. Eerder gewone moslims die zich gekwetst voelden. Eén groep was wel boos, dat waren wat oudere types, die leuzen riepen voor de Profeet, maar verder gewoon, doorsnee moslims. En toen begon die Aftab zo van ‘ik begrijp dat we allemaal heel boos zijn’, hij probeerde de mensen te kalmeren, weet je. Wat een sellout.  Burgemeester Fabian Stang was er ook. En die ene priester, of bisschop, die van de Domkerk, die zei dat hij de frustratie deelde die de moslims voelden, en bla bla bla.

Ik weet niet, het was alsof ze er op het podium niet in slaagden de gevoelens te vertolken van ons, die stonden te luisteren. Plotseling hoorde ik iemand vlak achter me heel hard, echt met alles wat hij had, ‘Allahoe Akbar’ schreeuwen, en hem dat horen roepen voelde zoveel beter dan naar die onechte types op het podium te luisteren. Ik herinner me dat er een gast, een junk of zo, voorbijliep aan de andere kant van het plein waar al die politie stond. Het lukte ’m om tussen de politiemensen door te glippen. Net toen het even stil was, riep hij ‘Vrijheid van meningsuiting!’ over het plein, waarna hij snel weer dekking zocht achter de politie, als een echte lafaard. Enorm komisch, met zesduizend moslims vlak voor zich. Wat een gast zeg. Maar ik dwaal af, het punt was dat we ons door de politie geobserveerd voelden, verdacht gemaakt, met die helikopter en de rest.

De volgende dag stond er zowat niets over ons in de krant. De  voltallige pers had voor de Amerikaanse ambassade gestaan, waar de extremisten van de Oemmah van de Profeet hun demonstratie hielden. In die tijd wist ik bijna niets over ze. Ik had niet eens meegekregen dat ze een eigen demonstratie organiseerden. Ze trokken alle aandacht naar zich toe, hoewel ze misschien met honderd man waren en wij met zesduizend. Er stond maar in één krant een kort berichtje over ons, snap je?

Op een bepaalde manier had ik het gevoel dat die demonstranten bij de ambassade meer indruk maakten. Dat ze veel duidelijker zeiden wat ze bedoelden dan de sellouts op Youngtorget, gaf ze ook meer geloofwaardigheid. Bovendien zijn de media natuurlijk slim, die publiceren niets dat ingaat tegen de versie die hun voorkeur heeft, niets wat niet in hun wereldbeeld past. Ze zijn supertevreden als ze moslims kunnen afschilderen als gewelddadige extremisten. Wie besteedt er nou aandacht aan een vreedzame demonstratie?

Ik vergat nog de Arabische Lente, dat speelde ook rond die tijd. Of eigenlijk iets eerder, want het gebeurde voordat ik begon islam te praktiseren. Je moet de volgorde achteraf maar aanpassen. Hoe dan ook, toen het oproer begon, Tunesië, Egypte, Libië, las ik over de leiders daar en dacht dat het goed was wat er gebeurde. Zet ze af. Ze drinken het bloed van hun eigen volk. We hoorden dat Noorwegen de opstanden zou steunen, weet je wel, en ik dacht wauw, retegoed, Europa doet ook mee. Europa steunt de opstanden. Weg met die zwijnen van dictators.

Pas enige tijd nadat Syrische regeringstroepen voor het eerst op de demonstranten hadden geschoten, begon ik me voor religie te interesseren. Het begon er behoorlijk slecht uit te zien daar in de woestijn en het werd alleen maar erger, tegelijk met mijn, hoe zal ik het zeggen, mijn ontwaken in de islam. Het was dus religie van de ene kant en politiek van de andere, maar ze waren nog niet versmolten.

Ik reed rond bij Maximat en luisterde naar mijn radio, het ging steeds over Syrië. De verhalen stroomden per telex binnen. Massamoord. Verkrachting. Hier kinderen dood. Daar kinderen dood. Alleen maar dat soort dingen. Op een dag vroegen ze of ik kon helpen met het vlees op de slagersafdeling, toen ik net op de radio had gehoord dat Assad zijn eigen volk vanuit de lucht had gebombardeerd. En dan daar staan kijken naar al die geslachte dieren die voor mijn neus hingen.

Waar ik ook was, het ging altijd over Syrië. Tv, Syrië. Facebook, Syrië. Radio, Syrië. Een praatje met iemand, Syrië. Het vrijdagsgebed, Syrië. Ik weet nog dat een van de imams Assad de zoon van een ezel noemde en tekeerging over hoe hij zijn volk afslachtte. Ik ging een paar keer met mijn oom mee naar de moskee in Oslo en daar ging het net zo. Syrië, Syrië, Syrië. Geld inzamelen. Kleding inzamelen. Ik gaf wat ik kon. Begon zelf ook met een collectebus te lopen. Nog eens, niet om anderen te imponeren, maar voor God. God ziet alles, weet je wel. Ik nam zelfs de verantwoordelijkheid op me voor het uitdelen van de bussen. Ik grossierde in bussen. Elke keer dat we familie op bezoek hadden, vroeg ik of ze geen zin hadden om een collectebus mee te nemen en ook een ronde te doen.

We begonnen te horen over de eersten die gingen. Eerst een, toen twee, vijf, negen, twaalf, plotseling vijftien, plotseling twintig. En weet je, ik dacht, wat goed dat ze gaan. Moge God ze genadig zijn. Het is niet niks, je leven offeren om iemand in nood te helpen. In het begin dachten heel wat Noren er ook zo over, dat die kant op gaan om te helpen een goede zaak was.”

Tariq over de realiteit in Syrië

We hadden eten naar wat soldaten van Ahrar ash-Sham gebracht, die bij een wegversperring op wacht stonden. Op weg terug naar Darkush kwam er ineens een auto aanscheuren van de andere kant, en maar toeteren. We reden de berm in en voelden de luchtdruk toen hij ons passeerde. Abu Saad veegde met zijn hand over zijn gezicht en ik begreep er niets van. Toen kwam er nog een auto van die kant, ook weer in volle vaart en met een hoop getoeter. Daarna nog een, en nog een. Toen we Darkush inreden zagen we een dikke, zwarte rookkolom oprijzen uit het centrum van de stad. We stopten bij een benzinevat en vroegen de jongen die erbij stond of hij iets wist. ‘Autobom’, zei hij.

De auto’s die ons tegemoet waren komen racen, vervoerden waarschijnlijk gewonden. ‘Het moet een grote zijn geweest’, zei Abu Saad. We reden richting de markt waar de bom was afgegaan. Overal mensen. Alsof je een takje in een mierenhoop steekt en ze ineens overal rondkrioelen. We stapten uit de ambulance en het rook bitter, naar benzine, een stank van chemicaliën. De muren van de gebouwen rondom waren ingestort. De lucht hing vol stof.

Ik had video’s van dit soort dingen gezien op internet, het was waarom ik hiernaartoe was gekomen, maar dan sta je er middenin met een lijf en een hart en een hoofd dat niet wil, en twee handen waarvan je niet weet wat je ermee moet.

Ik herkende de winkels en de gebouwen niet meer, kon me bijna niet oriënteren, zo vreemd was het allemaal geworden. Op één punt renden mensen met emmers en gooiden water in een gat in de muur. Het duurde even voor ik me realiseerde dat daar de shoarmazaak had gezeten. De metalen stoeltjes waren door de warmte verwrongen tot kreupele dieren. Mijn oog viel op de krater, die was echt gigantisch. Mensen schreeuwden. Het geschreeuw vermengde zich en lokte nieuw geschreeuw uit. Toen pakte Abu Saad me vast en vroeg me hem te volgen. We liepen naar het ziekenhuis. De trappen waren besmeurd met bloed. Artsen en verplegers renden rond. Ze hadden het veel te druk. Abu Saad vroeg de directeur van het ziekenhuis of we konden helpen, maar de gewonden die de stad uit moesten waren al weg. Ze hadden alleen mensen uit de zorg nodig. Ik zag Karim voorbijrennen. Het zweet stond op zijn voorhoofd en zijn blik was gefocust. Hij was op weg naar een vrouw die een scherf in haar heup had gekregen. Naast haar bed zat haar zoontje, een klein jochie nog maar, en hield haar hand vast. Ik zag dat hij in haar hand kneep en zijn moeder kneep terug. De lucht daarbinnen was zo drukkend dat ik naar buiten moest.

Ik liep weer richting de markt. Bleef staan kijken naar de verwarring op de gezichten. Ik was een van hen. Een graafmachine was bezig een ingestorte muur weg te halen waarachter een gezin gevangen zat. Een grootvader liep rond en riep zijn kleinkind. De jongen was compleet uit elkaar gereten, zijn opa stond over hem heen maar herkende hem niet. Het duurde een hele tijd voor hij erkende dat dat zijn kleinkind was. Toen hij zijn verdriet de hemel in schreeuwde, kwam er iemand die het kind in een witte doek wikkelde en een arm om de schouders van de oude man heen sloeg.

Ik had video’s van dit soort dingen gezien op internet, het was waarom ik hiernaartoe was gekomen, maar dan sta je er middenin met een lijf en een hart en een hoofd dat niet wil, en twee handen waarvan je niet weet wat je ermee moet. Je wilt zo graag iets doen, maar je weet niet wat. Je voelt je ziel een beetje kleiner worden, je bent niemand.

Ik was Abu Saad uit het oog verloren. Ik stond daar maar en voelde me overbodig. Ik was helemaal naar Syrië gekomen om de bevolking te helpen, maar nu het echt nodig was, had ik niets te bieden. Ik werd duizelig, ging op de stoeprand zitten, klemde mijn kiezen op elkaar en liet mijn tranen lopen.

Toen ik mezelf weer in de hand had en mijn hoofd optilde, zag ik een bleke, blanke gast langslopen met blauwe ogen en een kalasjnikov op zijn rug. Hij praatte met een Syriër, maar in gebroken Arabisch. Ik liep naar hem toe. Ik had nog niet één Europeaan gezien sinds ik in Syrië was, weet je wel. Eerst vroeg hij iets in het Arabisch, maar toen hij zag dat ik dat niet begreep, switchte hij naar het Engels. ‘Where are you from, brother?’ ‘Norway.’ Toen ging hij plotseling over op Noors. Maar dat was nog niet alles. Die gast, Rudi heette hij, kwam godbetert gewoon uit Sarpsborg. Hoe groot is de kans dat twee Noren uit de provincie Østfold elkaar tegenkomen naast een bomkrater ergens in Syrië? Eerst waren we allebei ontzettend blij, maar toen begon ik me te generen. Nu kom je dus een etnisch-Noorse gast tegen die al in Syrië zat voordat jij een vinger uitstak. Hij spreekt al Arabisch, heeft een wapen en is klaar om de moslims te verdedigen. En waar had ik gezeten?

Rudi wilde weten bij welke factie ik hoorde. Ik zei dat ik het nog even aankeek, eerst meer overzicht wilde krijgen. Ik vroeg wat hij van de JMA vond en van de groep van Sayfullah, waar Arbi naartoe was gegaan. ‘Die zijn keihard,’ zei Rudi, ‘je weet dat ze allebei vol Kaukasiërs zitten die nog warm zijn van de jihad in Tsjetsjenië, ze waren bij de eersten die zich in de strijd wierpen in Syrië om de rebellen te helpen.’ Toen hij dat zei begon ik me af te vragen of ik niet bij Arbi had moeten blijven, of ik wel op de goede plek was.

Rudi zat bij Dawla.

Ja, uiteraard. Ik vroeg waar zijn basis was. Dat mocht hij niet zeggen, maar ik kreeg zijn telefoonnummer. ‘Schaf een wapen aan, dan praten we verder.’

Hij vertelde een hoop dingen niet, weet je wel, dus ik wilde ook niet gaan graven. Je moet sowieso niet te veel vragen stellen. Hij zei alleen dat hij in de buurt van Dana zat. Hij was naar Darkush gekomen toen ze over de bom hoorden.

Als ik echt had gewild, was ik op dat moment zeker bij Dawla binnengekomen. Maar wat ik van ze had gezien, maakte me onzeker. Vooral wat Abu Saad had verteld, dat ze Syriërs slechter behandelden dan buitenlandse krijgers. Maar ik merkte ook dat ik me midden in alle gruwelijkheden veilig voelde bij Rudi, weet je. Je kunt ’t je wel voorstellen, daar stond ik met opeengeklemde kaken en een betraand gezicht en kwam een gast tegen die midden in die chaos heel rustig bleef. Ik begreep dat hij nog wel ergere dingen had gezien. Veel erger. Hij was overduidelijk op oorlog ingesteld. Gefocust, maar zonder zich van zijn stuk te laten brengen door alle gruwel. Rudi had alles wat ik miste. Rust, focus, aanwezigheid. Door hem begreep ik dat ik nog steeds niet echt klaar was voor de oorlog. Ik moest me herpakken en het beest in de ogen kijken.

Lees méér van WPG