De Aspe Award blijft zijn zonen uitzenden. Nadat de award vleugels gaf aan de literaire carrière van Koen Strobbe, laureaat van de eerste Aspe Award, tekent nu ook Gert-Jan Van den Bemd, winnaar van de Aspe Award 2016 een contract bij uitgeverij Manteau, voor de uitgave van zijn literair debuut, De verkeerde vriend. We laten je als kennismaking nog graag zijn winnende inzending voor de Aspe Award lezen.

Belofte maakt schuld

‘Waarmee kan ik u van dienst zijn, mevrouw?’ De stem, zacht en een beetje hees, klinkt veel te formeel uit het viezige roostertje boven vier anonieme belknopjes: 4A-4B-4C-4D. Blijkbaar kan de eigenaar ervan mij zien, hoewel ik geen camera kan ontdekken. Ik sta voor een deur waarin heldere en melkglazen strookjes elkaar afwisselen.
‘Goedemiddag, ik kom voor –’
‘Ah, mevrouw Van Tilt, ik kom eraan.’
Even later nadert een silhouet, opgebouwd uit streepjes. De deur zwaait open. Lambik, denk ik gelijk, niet alleen vanwege de zwarte broek en het witte overhemd, ook de spaarzame begroeiing op zijn ronde hoofd versterkt die associatie.
‘De ontgrendeling van de deur doet het niet’, zegt hij.
Hij gaat me voor, een granieten trapje op. De deur naar een gang van fineer staat open. Zijn slofjes fluisteren, mijn hakken klinken ànbeschoft hard op het laminaat. Hij laat me in de smalle woonkamer. Het plafond, de lambrisering, het laminaat, de meubels, alles in bruintinten. Aan de muur hangt een vale foto: een man en een vrouw met jarenzeventigkapsels voor een fontein. Lambik en Sidonia. Nee, dat is vals. Zij ziet er een stuk aantrekkelijker uit, hij trouwens ook, toen.
‘Gaat u zitten, dan pak ik hem even.’
Hij knikt naar een karamelkleurig tweezitsbankje met leren kussens vol barstjes, alsof het hier lange tijd veel te droog is geweest. Er staat geen enkele plant, wel een glazen vaas met kalkringen in plaats van bloemen.
Even later komt hij terug met een schoenendoos. Zwarte pumps, maat 36. Hij gaat schuin tegenover me zitten, in een fauteuil waar hij precies in past, als een mal waaruit de man is gegoten.
Hij zet de doos op de lage salontafel en tilt het deksel op. ‘De 1139’, zegt hij plechtig.
We kijken naar een locomotiefje van grijs-geel plastic dat als een dode koolmees op een bedje van zigzagwatten ligt.
De man wacht geduldig op mijn reactie, maar ik kan niets bedenken. ‘Wat hadden we afgesproken? Vijftig euro, is het niet?’ zegt hij dan maar. ‘Ja…’ zeg ik aarzelend. ‘Maar…’
‘Maar?’
‘Eigenlijk ben ik hier voor iets anders.’
‘Iets anders?’ Hij kijkt een beetje teleurgesteld naar de doos. ‘Ik heb alleen nog de 1139. De rest is al weg.’
‘Ik bedoel het pistool.’
‘Pardon?’
‘Het pistool, de Luger.’
‘Ik weet niet wat u bedoelt.’
‘Ik zag uw advertentie. Hij stond maar heel kort online, waarschijnlijk omdat het niet mag, wapens verkopen op internet. Iemand heeft uw advertentie waarschijnlijk gemeld bij de websitebeheerder.’
De man kijkt me onbewogen aan. ‘Maar ik heb geen pistool, nooit gehad ook.’
Ik probeer begripvol te glimlachen. ‘U hoeft zich niet ongerust te maken, ik ben niet van de politie. Ik wil het graag kopen, uw pistool. Honderd euro.’
Hij staat op. Zonder iets te zeggen duwt hij het deksel terug op de doos en verdwijnt ermee naar de gang. Ik hoor hem rommelen. Een kamertje vol troep, stel ik me voor. Een strijkplank met een berg wasgoed, een gereedschapskist, dozen met prullaria, stapels oude kranten en tijdschriften. Ergens in een kast staat een kartonnen doosje, of misschien zit het in een foedraal van canvas. Ik kan het bijna ruiken, olie en metaal. Pak het nou maar, je wilt ervan af.
De man komt terug. Met lege handen.

Ik doe een stap naar achteren om de man meer ruimte te geven, maar het voelt ongemakkelijk dat ik nu verder in zijn woning sta dan hijzelf.

‘Nou, dan zijn we klaar’, zegt hij. ‘De 1139 gaat vanavond weer op de website.’
Hij blijft bij de deuropening staan en beweegt met de deurklink. Ik sta op.
‘Honderdvijftig’, zeg ik, als ik de gang in stap.
‘Dag mevrouw Van Tilt.’ Het klinkt als een belediging.
Hij loopt niet met me mee naar de hal. Ik heb moeite met het slot van de voordeur. De man daalt zuchtend het trapje af en buigt zich langs me heen. Ik ruik zijn huid, zeep en iets houtachtigs. Ik doe een stap naar achteren om de man meer ruimte te geven, maar het voelt ongemakkelijk dat ik nu verder in zijn woning sta dan hijzelf.
Dan klinkt er gekraak achter mijn rug, een kuchje. Ik draai me om.
Een vrouw – geblondeerd, een bril met roze glazen – kijkt me aan. In haar handen heeft ze een smalle doos.
‘Kom’, zegt ze.
De man slaakt een vloek en klapt de deur in het slot. We zitten naast elkaar, de vrouw en ik. De man is blijven staan. De doos staat op de salontafel. Original Mauser Parabellum.
‘Hij had het beloofd, toen.’ Ze knikt naar de foto aan de muur. ‘Onze verloving. We spraken af dat als een van ons dood wilde, dat de ander dat zou regelen. We kochten dit ding, jaren geleden. Hiermee zouden we het doen. Geen gerotzooi met pillen. En nu wil ik het, maar hij is te laf.’
De man slaat zijn ogen neer.
‘Zes jaar geleden kreeg ik kanker’, zegt de vrouw. ‘In mijn linkerborst. Hij moest eraf. En ook rechts, hoewel daar niks mis was. Voor de zekerheid. Zo noemde de arts dat, voor de zekerheid.’ Ze legt haar smalle hand beurtelings op de glooiingen in haar strakke truitje. ‘De dokter zou me mijn vrouwelijkheid teruggeven. Ik mocht kiezen, siliconen of een zoutoplossing, want vet had ik niet. Zo mager als een lat.’ Ze lacht schor. ‘Toen al helemaal. Ik koos voor siliconen, want dat leek echter. Al na een jaar was er één lek. Ze moesten eruit, maar de troep zat al in mijn lijf. Het tastte mijn zenuwen aan, ik verrek soms van de pijn.’
‘Wilt u misschien iets drinken?’ vraagt de man, maar het klinkt eerder als een afleidingsmanoeuvre, een poging om haar relaas te beëindigen. ‘Koffie, thee?’
‘Sinds vorige week weet ik dat het weer foute boel is.’ Ze tikt op haar hoofd. ‘Het zit nu ook hier. Ik wil niet meer, de lol is ervan af. Begrijpt u dat?’
Ik knik.
‘Maar hij wil het niet doen.’
‘Ik hou te veel van haar’, zegt de man schor.
‘Onzin! Toen je het beloofde hield je meer van me dan nu. Als we vreeën kuste je mijn voeten, je slikte mijn spuug, je likte me op plekken waar je me nu niet eens meer aanraakt. Je walgt van me.’
‘Dat is niet waar, Kathy. Ik hou net zoveel van je als vroeger. Ik kan je alleen niet missen.’
‘Door het niet te doen kun je me niet bij je houden. Je zult me alleen maar harder verliezen, met meer verdriet.’
Ze opent de doos, grijpt het wapen bij de loop. ‘Hier, doe het!’
Ik spring overeind, ga tussen het pistool en de man staan. De kolf raakt mijn dij.
‘Heeft ú het pistool te koop gezet?’ vraag ik aan de vrouw.
Ze knikt en legt het wapen op haar schoot.
‘Ik hoopte dat er iemand zou reageren die het niet zo nauw neemt met de normen en waarden.’ Ze grinnikt. ‘Zeg maar een beroepsmatig gebruiker. Ik zou hem ervoor betalen, ik heb wat gespaard.’ Ze knikt naar haar man. ‘Maar hij verwijderde de advertentie voordat er iemand kon reageren. En toen kwam u.’
‘Niet bepaald wat u had gehoopt.’
‘Nee, het leven zit me niet mee.’ Ze glimlacht wrang. Is het hier zo goed geïsoleerd? Geen enkel geluid van buiten dringt naar binnen. Ik hoor alleen de trage ademhaling van de vrouw, synchroon met haar wijsvinger die het zwarte metaal streelt.
‘We doen het samen, u en ik’, zeg ik tegen de man. En tegen de vrouw: ‘Als u dat wilt.’
Ze knikt. ‘Heel graag.’ Daarna kijkt ze naar hem. ‘Dat wil ik heel graag, Yves.’
Hij kijkt me aan, beschaamd vanwege zijn zwakte, dankbaar voor mijn lef.
‘Ik leg alles klaar’, zegt hij.

De vrouw ligt op de twijfelaar. Ze heeft zich opgemaakt, haar kapsel verzorgd, een geurtje opgedaan. Ze draagt een zwarte jurk, nylons aan haar dunne benen en de pumps van de schoenendoos, alsof ze even rust voor een gala.
Haar man zit aan zijn kant van het bed, waar niets op het nachtkastje ligt, ik aan haar zijde, bij een tafeltje vol tabletten in doordrukstrips en bruinglazen potjes. Ook hij heeft zijn best gedaan, zijn schaarse haren gekamd, een strikje omgedaan en lakschoenen aangetrokken. Ik voel me slonzig in mijn T-shirtje en jeans.
Hij reikt haar een vierkant kussen aan. Er staat een geborduurd hertje op met droeve ogen.
‘Moet ik jullie even alleen laten?’ vraag ik, maar weet dat dat niet kan. Als ik nu wegloop, kom ik niet meer terug.
‘Nee, blijf’, zegt de vrouw. ‘Je hoort bij ons.’
De man knikt dat hij het goed vindt. Hij bukt zich voorover en zoent haar lippen, dan haar voorhoofd en stuurt haar handen met het kussen omhoog.
‘Mijn hart,’ zegt ze, ‘niet mijn hoofd.’ Ze legt het kussen op haar borst.
Ik pak de Luger van het bed. Ondanks de slanke vorm voelt hij zwaar in mijn hand, veel zwaarder dan ik had verwacht, alsof alle massa in deze kamer zich erin heeft verdicht en het bed, de nachtkastjes en wij gewichtloos zijn.
Ik zet de loop op het kussen, tussen de treurige bruine ogen. De hand van de man is warm en zacht. Mijn hand omvat de kolf, maar de trekker laat ik vrij voor zijn vinger. Zo worden we omsloten, door de benige handen van de vrouw. Het lijkt op een hart. Alleen de loop is nog zichtbaar, als een smalle zwarte vinger.
Ik wil niet dat de vrouw naar mij kijkt, uit beleefdheid of uit dankbaarheid, maar naar hem. Opnieuw kust hij haar, nestelt zijn ronde hoofd tegen haar geblondeerde kopje.
Ze fluistert in zijn oor, sluit haar ogen voor de knal. Een enkel veertje ontsnapt uit het kussen.

We reiken gelijktijdig naar het slot. Zijn hand is nu koud, nog kouder dan de mijne.
‘U redt het wel?’
Hij knikt, doet een halfslachtige poging tot een knuffel en trekt de voordeur open. Ondanks de zwoele lucht loopt een rilling over mijn rug.
‘U hoeft er niet op te antwoorden’, zegt hij aarzelend. ‘U mailde dat u de locomotief voor uw man wilde kopen… Geldt dat ook voor de Luger?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘die was voor mezelf. Ik dacht dat ik niets meer te verliezen had.’
Ik stap in het licht, met een glimlach sluit hij de deur.

Lees méér van WPG