God schiep de aarde in zeven dagen. Dat is exact de periode die Marie krijgt om haar leven weer op de rails te krijgen. Maar wat doe je als het enige familielid dat je nog hebt achter de tralies zit en je enige kans op een professionele comeback betekent dat gedeelde geheimen aan het licht moeten komen? Biecht je dan alles op? Dat is de vraag in de tweede roman van Nadia Dala, De Biecht. We laten je graag kennismaken met een uitgebreid leesfragment.

‘Geef me je hand!’ Het zijn herinneringen aan vroeger, toen Frie me op haar typische gebiedende toon toesprak. Als oudste zus had zij de bovenhand. Dat was altijd zo geweest, hoewel ik die ongelijke machtsverdeling nooit vrijwillig had onderschreven, laat staan erin was geconsulteerd. Frie had al vanaf heel jonge leeftijd een bezitterige, soms moederlijke houding ten opzichte van mij aangenomen. Het recht van de eerstgeborene was het. Haar houding balanceerde tussen protserige trots op de ‘kindzus’ en het strak handhaven van haar eigen gezag. Zij stond graag boven mij. Die houding nam ze soms nogal letterlijk. Als peuter leken de spijlen van mijn babybox wel onbeklimbare gladde rotsen. Wanneer ik mezelf op mijn wankele beentjes omhoog trachtte te hijsen, keek Frie neus-in-de-lucht langs haar halfgesloten wimpers op mij neer, naar de bodem van de box, waar ik na verschillende vruchteloze klimpogingen op mijn luierbroek was beland. Geamuseerd drapeerde ze dan haar mollige armpje op de spijlen, het ene been over het andere.  ‘Geef me je hand, Marie’, zei ze uiteindelijk. Dankbaar graaide ik naar de grote zus boven aan het ‘rotsgebergte’, en vanaf toen liet ze me niet meer los. Dat moet het begin zijn geweest van ons zusterverbond.

Op zich waren we best complementair. In mij woelde het onzekere kind dat wikt en weegt, nooit iets met zekerheid weet en altijd om de goedkeuring van haar omgeving smeekt (bedelt, veeleer). Wankel op de benen ben ik altijd gebleven.  Ik benijdde haar onvoorspelbare invallen en willekeurige regelgeving. Wanneer ze me dingen oplegde als ‘haal drie chocoladekoeken voor me uit de snoeptrommel, Marie’ en me andermans regels liet verbreken zonder dat ik er erg in had (natuurlijk mochten wij met onze vingers die koekendoos niet in van onze ouders, dat wist ze), volgde ik braaf. Misschien deed ik het uit gemakzucht, om geen machtsstrijd aan te gaan met mijn oudere bloedverwante, die toch anderhalve kop groter was dan ik.

Dankbaar graaide ik naar de grote zus boven aan het ‘rotsgebergte’, en vanaf toen liet ze me niet meer los. Dat moet het begin zijn geweest van ons zusterverbond.

Ergens in een doos onder mijn bed moet de foto liggen, met gekartelde randen rond het vastgelegde tafereel – een typisch afwerkingsprocedé van fotowinkels vroeger. Die ene prent illustreert ons perfect. Het was een bloedhete zomer, een van de vele uit onze kindertijd. Hofstade was toen nog een familievriendelijk provinciaal recreatiedomein waar gezinnen met jonge kinderen onbezorgd plonsden in het ondiepe meer. Mijn moeder had toen onverwachts een kiekje genomen. Voor mij was het geen vrolijke herinnering, eerder een onflatterende blauwdruk van mijn slappe karakter. Maar de foto onthulde wel al de contouren van onze relatie. Hoe Frie mij toen kordaat van het verzwelgende gevaar had gered, kan ik tot op vandaag moeilijk vergeten. Denk ik daarom terug aan die prent? Op de afdruk kijk ik verschrikt naar mijn zus. In korte grijze zwembroek, diep voorovergebukt in het ondiepe water van het recreatiedomein. Met de angstvallige blik van een simpel wezen dat waarlijk gelooft dat de verdrinkingsdood niet veraf is – op het punt in dikke tranen uit te breken – en toch niet bij machte is om weg te lopen van het noodlottige gevaar: wild spetterende kinderen en opspringende honden die ongegeneerd op en onder de bijna-drenkelinge plasten en poepten. Kopje-onder. Kopje-boven. Flutstraal pal in mijn gezicht. Frie staart recht in de lens. Met de blik van de leidster die weet dat ze het zwakke schaap – ik – weer op het droge zal krijgen. Vastberaden houdt ze mijn klamme handje vast. Nu ja, ze knéép mijn vingers bijeen, dat is een accuratere beschrijving van haar greep. Mij maakte het toen niet uit. Deze reddingsboei liet ik niet meer los. Frie zou mij naar het mulle zand – op nauwelijks enkele stappen van de noodlottige plek – brengen en me van de verdrinkingsdood redden. Dat wist ik toen haar hand de mijne omklemde.

Haar dominante hand lag boven, met de handpalm naar beneden. Mijn hand lag onder de hare. Dat spreekt voor zich.

Na dit incident sliepen we ook ’s nachts hand in hand. Zodra ze erom vroeg, stak ik mijn hand gewillig uit naar haar. Want in het donker wilden de woeste golven mij keer op keer weer verzwelgen, zou het vuilige, woelige water me opeten en mijn benen in een draaikolk doen verdwijnen. Daarom luisterde ik naar haar bevel. Dat hadden we afgesproken. Nu ja, het was een ritueel dat ze naar goede gewoonte zelf had ingevoerd.  Ze moet een jaar of acht zijn geweest en ik net geen zes toen ik voor het eerst haar bemoeizuchtige handje de rand van mijn bed voelde aftasten. Met haar behendige vingertjes greep ze naar de punten van de kussensloop onder mijn hoofd. Na een eerste korte ruk liet ze los. Heel even. Want ietsje later volgde een tweede ruk, en opnieuw. Iedere keer schoof het kussen onder mijn hoofd een eindje verder weg. Dat ging zo door tot mijn hoofd niet langer op het kussen, maar op het harde matras rustte. ‘Jouw kussen is nu van mij’, zei ze dan. Onze bedjes stonden een kleine twintig centimeter van elkaar. Het waren twee strak opgemaakte eenpersoonsbedden in een smalle kinderkamer, met aan haar linkerkant het dubbele raam dat uitkeek op ‘de koer’. Die koer was een vierkante binnenruimte waar overdag de zon scheen en ’s nachts de maan ons begroette. ‘Je hand, Marie’, gebood ze terwijl ik de deinende golven stampvoetend van me afduwde om de verfrommelde lakens vervolgens weer met beide handen tot aan mijn kin op te trekken – ik ben een woeler – en dan wilde ik het te slappe hoofdkussen nog opkloppen – zij had het dikke, harde kussen al opgeëist – alvorens ik mijn hand naar haar uitstak en die ene zin kalmte bracht in mijn onrustige geest.

Haar dominante hand lag boven, met de handpalm naar beneden. Mijn hand lag onder de hare. Dat spreekt voor zich.

Je kan Nadia Dala aan het werk horen en zien op volgende data:
18/10 – boeklancering Kamer van Koophandel, interview met Geertje De Ceuleneer en Filip Feyten
22/10, 11.00u – brunch in Passa Porta Boekhandel
01/11 – Silvie Moors in gesprek met Nadia Dala en Diane Broeckhoven over hun nieuwste boeken
03/11 – event in De Zonvloed, Mechelen, met oa Roos Van Acker
18/11 – lezing De Groene Waterman, met Tanja Dierickx

Lees méér van WPG