Pure romantiek of onversneden geldklopperij? Over het vieren van Valentijn bestaan vele meningen. Wat wel een feit is: even stilstaan bij de liefde kan nooit kwaad. In aanloop naar deze 14 februari lieten wij je meelezen met onze auteurs. Vandaag, voor Valentijn, een bijzondere tekst: de liefdesbrief die Jef Geeraerts schreef aan zijn geliefde, vrouw en muze, Eleonore. Het boek Elf brieven rondom liefde en dood, waarin deze brief ook opgenomen is, ligt vanaf donderdag 23 februari in uw boekhandel.

LAATSTE BRIEF RONDOM LIEFDE EN DOOD,
GERICHT TOT ELEONORE VIGENON

Huize Lederna, 28 december 1979
Halfelf

Eleonore,

Zoals elke vrijdag ben je naar de stad om boodschappen te doen. Het geluid van je auto is niet eens weggestorven, of ik voel het naderen. Het duidelijke vermoeden dat er iets aan het huis begint te veranderen. De oorsprong heb ik nog altijd niet achterhaald. Een laserstraal gericht op de kristallen kegel die me bewaakt? De vloek van een heks die ooit nog op deze plek heeft gewoond? Onbestemde angst?

Om te proberen eraan te ontsnappen, kijk ik naar buiten. Egaalgrijze lucht boven een gestolde tuin met nevel tussen de struiken. De storm die de hele nacht heeft gewoed, is tegen de ochtend gaan liggen. Ik houd mijn adem in en luister. Boven de gewone infrasonische fluittoon in mijn binnenoor klinkt in het druipnatte essenbos even de dunne kreet van een merel. Ik zie hem. Hij schudt zijn veren. Hij vliegt weg. Ik draai me om.

Ons huis. Glas, planten, leer, brons, zijde. Jouw geur. De poezen Joek en Basileus slapen elk op hun zorgvuldig gekozen plekje. Ik aai ze even maar ze kijken niet op. Ik sluip door het salon, raak de Jugendstildame op het glazen rek aan, verschuif de kandelaars een millimeter en trek me terug in de werkkamer. Daar: de stereotiepe gebaren. De leeslamp aansteken. Gaan zitten. Opnieuw luisteren. Terwijl ik lijfelijk de andere sfeer onderga die nu bezit heeft genomen van het huis. Ik sta op en sluit de deur. Het enige middel tegen de midwintergeesten die ergens verdoken zitten te gluren met een waanzinnig lachje om hun gebit. Als jij er bent, Eleonore, vertonen ze zich niet. Dan blijft alleen de Dreiging, een drukkende pijn in het middenrif, waarmee ik voortaan zal moeten leven.

Waar ben je nu? Wat doe je nu? Opeens moet ik me uit alle macht bedwingen om niet naar buiten te rennen en als een gek naar de stad te rijden, op zoek naar je verwrongen, verkoolde auto, de rijkswachtcombi met blauwe zwaailichten, de ambulance. Ik beheers me. Vecht tegen de zachte radeloosheid. Probeer te denken aan wat ik zal doen als straks eindelijk het geronk van de motor zal naderen, de twee claxonstoten (ha, ze is er!), blij naar de deur lopen, naar buiten, de oprit, het hek, we wuiven naar elkaar, ik maak het gebaar van de verkeersagent, ze rijdt naar binnen, het hek op slot, naar de auto lopen, zoentje, de mand vol heerlijke dingen die ze op de markt heeft gekocht, deur dicht, de poezen die staart-in-de-lucht staan te wachten, ik die het maffe Kongolese dansje uitvoer en zing: ‘Mama ayei, nzala esili*,’ haar laarzen uittrekken terwijl ze lui achterover ligt, even haar voetjes in mijn handen houden, de sherryglazen, het eerste aperitief van de dag. Ze zegt: ‘Wat ben ik blij dat we weer in ons huis zijn, het hele weekend komen we er niet meer uit, ik heb iets meegebracht dat je nooit kunt raden…’

Met jou, Eleonore, ken ik voor het eerst in mijn leven het gevoel geborgenheid. Eindelijk een vrouw. Eindelijk rust en vrijheid.

Ons huis. Lederna. Met jou, Eleonore, ken ik voor het eerst in mijn leven het gevoel geborgenheid. Niet meer hoeven te kamperen in ruimtes die aan anderen toebehoren. De koffers van Kongo zijn definitief uitgepakt. De boeken en de voorwerpen hebben hun plaats. Eindelijk een vrouw. Eindelijk rust en vrijheid. Vroeger voor we getrouwd waren, dacht ik dat het kwam vanwege de zogenaamde levenslijn die zich opeens evident aftekende. Of misschien kwam het omdat ik minder wild begon te worden, minder neurotisch, bijna vijftig.

Het laatste merk ik vooral aan mijn ogen. Toen ik verleden jaar nog kon lezen zonder bril, dacht ik nooit aan de tijd die vóór me lag. Na het eerste alarmsignaal werd ik me langzaam bewust dat ik tussen twee generaties stond. Met één van de geliefde zintuigen dat me zomaar in de steek had gelaten. Misschien is het een waarschuwing, dat ik voortaan de minder accurate middelen spaarzamer moet leren gebruiken, aandachtiger, een dankbetuiging omdat het lichaam tenslotte nog altijd dienst doet. Als een soort compensatie is er nu het andere gevoel dat me dankzij jou steeds vaker vervult. Verwondering. Steeds meer gebeurt het dat ik bewegingen die ik duizenden keren heb uitgevoerd, voor het eerst ontdek, of geluiden, geuren, aanrakingen totaal anders ga combineren.

Op één been staan en zo snel mogelijk met een vlijmscherp mes groenten kleinhakken zoals we het in Japan hebben zien doen. Elke spier en zenuw concentreren op het moment dat de korrel van mijn pistool vlak onder het doel komt en het afdrukmechanisme in de top van de wijsvinger elektronisch vanuit de hersens bedienen. Jou in de badkamer verrassen terwijl je je lange, zwarte haren borstelt, door heel traag met grijphanden je kontje te omvatten zodat het elastiek van je broekje om mijn polsen spant, mijn neus in je hals drukken, je warme parfum opsnuiven, geleidelijk je rug voelen beven, Oostindisch wachten…

Deze verwondering laat me ook toe, samen met jou heel intens van momenten te genieten en tegelijk deze momenten af en toe te delen met zeldzame vrienden, die niet afgunstig zijn op het feit dat wij ons goed voelen bij elkaar. Vreemd genoeg is deze vorm van verscherpt bewustzijn het enige dat me afdoend kan beschermen tegen de Dreiging, die ik in jouw aanwezigheid meestal onder controle kan houden. Vooral dankzij de erotische spanning-van-het-wachten, die allengs de vroegere paardrang heeft vervangen. Hoewel we elk plooitje van elkaars huid hebben verkend, is het alsof de simultane verrukking elke keer nog verhevigt. Waarom ik tijdens de leegheid daarna altijd moet vragen of het goed is geweest, weet ik niet. Onzekerheid? Verzet tegen de vuist in mijn middenrif die harder en harder begint te duwen vanwege de tijdelijk verminderde levenskracht? Besef dat Hij dan elk moment kan opduiken, de Zomerangst?

Hij overviel me voor het eerst tijdens een nanacht van midden september 1975, in Spanje, in het grote witte huis El Isengrin. De tramontana deed de blinden rammelen. De maan stond boven de baai. Ik lag al uren wakker. Jij lag dicht tegen me aan, warm, droog, geurig, zonder het te weten droeg je de dood in je schoot. Ik luisterde bezorgd naar je ademhaling, keek naar de strakke, dunne huid van je gezichtje. Ik was trots omdat ik een jonge, mooie vrouw had. Mijn oor tegen je borst aan leggen durfde ik niet, je moest slapen, je zieke lichaam had rust nodig.

Het is angst voor de onomkeerbare natuurwet die ons samenzijn bepaalt. Dat we ooit afscheid zullen moeten nemen.

Daarna is Hij geregeld gekomen, meestal tijdens het Uur van de Wolf, de moeilijke overgang van nacht naar dageraad, wanneer spoken het bloed doen stilstaan. Kon ik Hem maar nauwkeurig omschrijven. Het vreemde is dat Hij telkens nieuwe facetten krijgt. Was het maar gewone doodsangst, de weigering afscheid te nemen van het leven, de weerzin tegen het verschrikkelijke moment dat onherroepelijk nadert. Het is helaas veel erger. Het is angst voor de onomkeerbare natuurwet die ons samenzijn bepaalt. Dat we ooit afscheid zullen moeten nemen.

Wie van ons zal het eerst gegrepen worden? Zal ik het moment van jouw totale eenzaamheid moeten meemaken, waarin ik niets meer voor je zal kunnen doen, je daarna langzaam zien veranderen in een wassen pop? Of zul jij ooit een uitgemergelde grijsaard moeten bijstaan, terwijl hij roept om hem uit de ijzeren klauw te redden die hem meesleurt naar de Afgrond, waar hij in mei 1929 toevallig ontstond? Het enige efficiënte verweer tegen deze verschrikking dat ons bij mijn weten overblijft, Eleonore, is gewoon proberen harmonisch samen oud te worden. Le Couple. De obsessie uitdrijven om aan het leven te kunnen beantwoorden. Onze verlangens binnen de speelruimte van praktische verwezenlijking leggen. Een zo scherp mogelijk inzicht in eigen kracht en zwakte krijgen. Taai zijn bij mislukking. Lief of hard kunnen zijn wanneer dit nodig is. Werken aan een waardensysteem dat dienst doet als krachtbron op weg naar een zo groot mogelijke zelfbevestiging.

Het enige efficiënte verweer tegen deze verschrikking dat ons bij mijn weten overblijft, Eleonore, is gewoon proberen harmonisch samen oud te worden.

Ik doe de leeslamp uit. Sta op en loop het salon in. Kijk naar buiten. Windstil. Het regent onhoorbaar. De struiken blinken. Basileus komt langs mijn benen strijken. Ik neem hem op. Hij drukt zijn kopje tegen mijn wang. Ik word heel rustig. Kijk op mijn horloge. Tien voor één. Ik weet dat je op weg bent, Eleonore. Ik bereid me voor. Door de ademhaling zo lang mogelijk stil te leggen, vermindert de fluittoon in mijn binnenoor. Door concentratie slaag ik erin mijn zintuigen behalve één uit te schakelen.

Ik wacht,

Jef Geeraerts

(*Moeder is thuis, de honger is voorbij.)

Lees méér van WPG