Achter elke sterke man staat een sterke vrouw. In het geval van Marnix Peeters heet zij Jana. Zij blijkt niet alleen een beeldige muze te zijn, maar ook een lucide denker. De zaken die Marnix als schrijver opmerkt, houdt zij tegen het licht. Marnix komt met een idee, zij tot conclusies. In Zei mijn vrouw bundelt Marnix Peeters de gesprekken die hij voert met zijn vrouw. Het boek ligt vanaf woensdag 22 maart in de boekhandel. Hier lees je al een column uit het boek.

Scheel hondje

Ik had vorig jaar een klein geldbedrag gewonnen in De quiz van het jaar, dat aan een goed doel mocht worden toegewezen. Ik had de enkele honderden euro’s aan Hunde in Not Ostbelgien geschonken, waar men zeer dankbaar was — zij hadden net een heel ziek hondje binnen dat dringend moest worden geopereerd, en het geld was op.

Wat aftasten. Luisteren. Zoals je dat met mensen ook doet. Ze ruimte geven.

Vorige week gingen mijn vrouw en ik Praline bezoeken. Het was een lelijk hondje — dik, korte pootjes, een beetje scheel — maar alle tumoren waren weggehaald, en het dééd ons allebei iets om het schamele ding in haar mandje voor de houtkachel te zien liggen, half slapend, half naar de vlammen kijkend. Ze is betoverd door vuur, zei Jeanne van Hunde in Not, ik weet niet hoe ze het uithoudt in die hitte, maar ze kan er uren liggen.

0323Na een tijdje taffelde ze overeind en kwam even hallo zeggen. Wij zeiden: goed gedaan, Praline, en aaiden haar voorzichtig over haar rug. Na een minuut schommelde ze terug naar haar mandje bij de vlammen, waar ze al snel weer met één oog open de slaap vatte.

Jeanne en Pascal vertelden ons allerlei horrorverhalen over mishandeling en verwaarlozing, en wij waren ons intussen amper bewust van het feit dat wij in een hondenhuis zaten — er zaten meer dan tien viervoeters in de woonkamer, van een maltezer tot een Mechelse herder, die een voor een om een aai of een schouderklopje kwamen bedelen, zich niet opdringend, niet naar de koekjes op tafel happend, niet jankend of keffend, én in een wonderbaarlijke onderlinge vrede — toch raar, merkte ik op, aangezien zij allemaal ooit in mindere of meerdere mate mishandeld of verwaarloosd waren.

Het ligt aan jezelf, zei Jeanne. Een hond vergeeft en vergeet nogal vlot — je moet ’m gewoon met respect behandelen en rekening houden met z’n persoonlijkheid. Wat aftasten. Luisteren. Zoals je dat met mensen ook doet. Ze ruimte geven.

Heb je gezien hoe ze naar je keek? Nee, loog ik, bij gebrek aan woorden.

Praline hadden ze opnieuw moeten leren eten, vertelde Jeanne. Ze had zes jaar lang in een hok geleefd waar haar baas om de paar dagen een hele zak voer in gooide — ze was dan uitgehongerd en vrat meteen de hele zak leeg. Jeanne vermoedde dat Praline in al die tijd geen enkel fysiek contact met baaslief had gehad — ze schrok als ze gestreeld werd. Je vraagt je af waarom sommige mensen in godsnaam zo’n dier willen hebben, zei ze.

Wat mooi, zei mijn vrouw toen wij een uurtje later Bütgenbach uit reden. Dat Praline nog leeft, en dat ze nu met die tien andere vriendelijke honden in zo’n warm huis mag wonen, bij zulke goede mensen. Lekker bij de houtkachel.

Het blijft wel een oud scheel hondje, zei ik. We hadden met dat bedrag ook ménsen kunnen helpen. Je kunt niet anders dan kiezen, zei mijn vrouw. Er zijn honderdduizend dingen die je aandacht verdienen, en Praline was een heel goeie keuze, dat weet ik wel zeker. Heb je gezien hoe ze naar je keek?

Nee, loog ik, bij gebrek aan woorden.

Lees méér van WPG