Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag geniet je van een fragment uit De abrikozenboom van Beate Teresa Hanika.

Laat ik met Pola’s verhaal beginnen op een dag in München.
Laat ik met Pola’s verhaal beginnen op een dag in München. Ongeveer zes of zeven jaar  eleden, misschien wel iets langer. Het had al dagen niet geregend. In Pola’s beleving leek het wel weken. Het gras in de achtertuin was verdord en stoppelig. Hun moeder had de jaloezieën dichtgedaan en alleen ’s avonds werden de ramen geopend, maar dat zorgde ook niet voor verkoeling. ’s Nachts lag Pola op bed en hoorde dat haar broer Adèl in de kamer ernaast telefoneerde en vervolgens nog heel laat het huis verliet. Met de auto van hun moeder wegreed, terwijl hun moeder een nachtdienst in het ziekenhuis draaide. Dan durfde ze niet meer uit bed en kroop onder de deken, totdat de vogels haar de volgende ochtend wekten, Adèl de Rover weer in de garage reed of haar moeder om vijf uur ’s morgens de huisdeur opendeed.

Toen ze uit München naar het meer reden, kon Pola ver weg het onweer al zien aankomen. Ze constateerde dat ze de wolken wantrouwde, en nadat ze langer over die zin – ik wantrouw de wolken – had nagedacht, realiseerde ze zich dat het iets anders was. Iets wat ze niet kon thuisbrengen. Ze voelde dat zich verderop iets meer dan onweer samenpakte, dat ze niet toevallig in deze auto zat en ook niet omdat haar broer haar een plezier wilde doen. Adèl zat achter het stuur van de Rover en Pola ernaast. Ze liet het raam zoemend naar beneden zakken en de hete zomerwind blies haar haar in haar gezicht. Dikke blonde slierten zwiepten in haar ogen, tot ze pijnlijk begonnen te branden.

Pola stapte uit en keek met haar hand boven haar ogen naar het eiland. Ook het eiland wantrouwde ze, constateerde ze, en de wind en het water.
Ze zwegen. Adèl had de radio zo hard aan dat je onmogelijk een gesprek met elkaar kon voeren. Het asfalt ging over in een onverharde weg, die uiteindelijk bij het meer uitkwam, bij de gigantische uitgebaggerde aarde- en zandheuvels en de aangestampte plek waar je je auto kon parkeren en je deken kon uitspreiden. Nu pas deed Pola haar ogen weer open. Daar stonden Götz’ Mercedes, een paar motoren en een krat bier. Adèl liet de auto tot aan de oever rijden en gooide toen het portier open. Pola stapte uit en keek met haar hand boven haar ogen naar het eiland. Ook het eiland wantrouwde ze, constateerde ze, en de wind en het water.

‘Ze wordt steeds knapper, de kleine,’ zei Götz, terwijl hij Pola in zijn armen trok. ‘Je moet wel goed op haar passen, hè, Adèl.’

Dat soort uitspraken maakte Pola verlegen; daarom hield ze stilletjes haar gezicht tegen Götz’ borst gedrukt en ademde zijn geur in, die diep in haar maagstreek doordrong. Het deed haar denken aan de dagen in het vierkante huis; ze sliep, werd wakker en was er nog steeds. Dagen waarop Götz haar beschermde en met haar praatte alsof hij haar vader was en haar broer en misschien wel God.

‘Ik wil niet dat mijn meisje iets overkomt.’

‘Ik kan goed op mezelf passen.’ Pola drukte haar gezicht zo hard als ze kon tegen zijn schone witte overhemd. Het rook naar oude meubels, viooltjes en vervlogen jaren. Götz beantwoordde haar omhelzing.

‘Dat weet ik wel,’ zei hij. ‘Dat weet ik wel.’

Het was groen, flessengroen, en werd omgewoeld door zijn jonge, wilde lichaam. Hij maakte schuimkoppen en spleet het in tweeën terwijl hij zo ver mogelijk dook.
Ze gooiden hun kleren in het zand, en Adèl sprong in het water. Het was groen, flessengroen, en werd omgewoeld door zijn jonge, wilde lichaam. Hij maakte schuimkoppen en spleet het in tweeën terwijl hij zo ver mogelijk dook. Hij kon heel ver. Zo ver dat je je zorgen om hem begon te maken als je toekeek. Er stopte nog een auto – andere jongens die bij haar broer en Götz hoorden. Een grote familie. Pola’s familie.

Ze maakte zich van Götz los en klom de berg op die de baggermachines de afgelopen dagen hadden gemaakt. De zon prikte op haar rug en het grind roetsjte onder haar blote voeten weg. Eenmaal helemaal boven kon ze het hele meer overzien, de donkergroene oever aan de overkant, de weilanden en berkenbomen, die gegeseld werden door de wind, het paadje dat ze eromheen hadden gebaand, door brandnetels en springzaad. Het eilandje waar je alleen op kon komen als je wist waar er een opening tussen de bramenstruiken was.

Zoiets vergeet je niet. Nooit.
Kun je je later herinneren wat je dacht toen je jong was? Pola nam zich voor om alles in zich op te slaan. Geen enkele gedachte ooit te vergeten, geen beeld te verjagen, vooral de gelukkige beelden niet, en dit was misschien wel zo’n gelukkig beeld. De jongens, die in het water ravotten als jonge honden. Götz, die er in zijn witte overhemd en broek achteraan dook en brullend als een zeehond weer bovenkwam. De muziek die nog steeds speelde, de ijsvogel die pijlsnel over het water vloog. Zoiets vergeet je niet. Nooit.

Ze rende aan de andere kant van de berg naar beneden, die zo steil was dat ze bijna struikelde, en dook in het water. Het was zo koud dat haar adem werd afgesneden en er een adrenalinestoot door haar lichaam ging. Aan land was ze beter, maar in het water was ze ook niet slecht. Zo gaat dat als je jong bent, meer kind dan meisje, thuis in alle elementen, een danseres in de lucht, op het land en in het water.

Ze zwom naar het eiland, met op de achtergrond het gejoel van de jongens, de stem van haar broer, die haar gelukkig maakte. En kreten van Götz, laag en krachtig, alsof hij haar kon tegenhouden. Net voor het eiland, nog voordat ze het fijne zand tussen haar tenen voelde, keek ze achterom. De drijfnatte jonge mannen klommen aan de kant. Vervolgens zwom ze het laatste stuk tussen de wilgenstammen in het ondiepe water door, tussen slingerplanten en algen en kwakende kikkers, vond de plek met de schoongespoelde wortel en trok zich op het land.

Lees méér van WPG