Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van een leesfragment. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag leert Michaël De Cock je de oude mythe van Odysseus (opnieuw) kennen op een unieke manier.

De soldaat met de brief in de hand

Zijn moeder stond bij hem. Ze fluisterde hem lieve woordjes toe, want dat is wat mama’s over de hele wereld doen als baby’s verdriet hebben, of als ze gewoon zachtjes liggen te pruttelen in bed.
Op een dag begon er een oorlog. De dag ervoor was alles nog rustig en opeens begon hij. Niemand die nog precies weet waar hij vandaan kwam of hoe hij begon. Een beetje zoals een onweer plots uit het niets komt. Een wolk schuift voor de zon en voor je het weet is de hemel donker en begint het te donderen en te bliksemen. Maar waar het eerste zuchtje wind vandaan kwam, weet niemand nog. Zo begon ook deze oorlog. Alleen blijft een onweer nooit lang duren. De wolk schuift opzij en de hemel trekt weer open. Maar zo ging het niet met deze oorlog, want die bleef tien jaar duren.
Ik heb een zoon. Hij heet Telemachos, maar wij noemen hem Makos. Ik heb hem in tien jaar niet gezien, maar er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk. Niet lang na zijn geboorte ben ik bij hem weggegaan. Niet omdat ik dat wilde. Omdat het moest. Ik weet niet hoe mijn zoon eruitziet, en hij weet niet hoe zijn vader eruitziet. Misschien vraagt hij het zich soms af, ’s avonds, als hij in bed ligt en door het raam meer dan duizend sterren aan de hemel ziet staan. En in het midden, rond en groot, de maan. Misschien droomt hij dan wel van zijn vader. Zoals ik droom van hem. Dat hoop ik. Want iemand missen is erg, maar niets is zo erg als iemand helemaal vergeten zijn.
Zal ik je vertellen hoe het allemaal begon?
Makos lag in zijn wieg te huilen. Dat is wat kleine baby’s doen. Zijn moeder stond bij hem. Ze fluisterde hem lieve woordjes toe, want dat is wat mama’s over de hele wereld doen als baby’s verdriet hebben, of als ze gewoon zachtjes liggen te pruttelen in bed. Ik zat in de woonkamer met mijn rug naar het raam. Op de muur tekende de zon vreemde en grillige schaduwen. Ik zag een groot paard en een schip, en ik zag hoe de wolken op de muur in elkaar overgingen. Ik vroeg me af of de schaduwen iets te betekenen hadden.
Penelope, mijn vrouw, had Makos net ondergestopt. Ze kwam op de tippen van haar tenen de woonkamer ingelopen.
‘Hij slaapt’, zei ze zo zacht ze kon. Ze wilde Makos niet wakker maken.
Toen werd er drie keer hard op de deur geklopt.
Penelope ging openmaken. Toen ze terugkwam keek ze me bang aan.
‘Er staan soldaten voor de deur’, zei ze. ‘Ze willen je spreken.’

‘Waarom is die oorlog precies begonnen?’ wilde ik toen weten. ‘Eigenlijk hoef je dat niet te weten’, zei hij. ‘Maar omdat je het zo vriendelijk vraagt, zal ik het je uitleggen. De broer van onze koning is getrouwd met Helena. Volgens de koning is Helena het allermooiste meisje van de hele wereld.
Penelope had gelijk. Er stonden tien soldaten voor de deur. Met zwaarden en helmen. Drie rijen van drie. En helemaal vooraan stond nog een soldaat. Dat maakt samen tien. De soldaat vooraan had een grote brief in zijn handen. Hij vertelde dat er duizend kilometer verder een oorlog begonnen was en dat ik moest meekomen.
‘Waarom moet ik meekomen?’ wilde ik weten.
‘Dat staat zo in de brief’, antwoordde de soldaat. ‘En die brief komt van de koning zelf.’
Daar keek ik van op, want van de koning had ik nooit eerder een brief gekregen.
‘Wanneer vertrekken jullie?’ vroeg ik toen.
‘Nu meteen’, zei de soldaat. ‘Maar je mag natuurlijk eerst even afscheid nemen.’
Ik knikte. Penelope stond over mijn schouder mee te kijken.
‘Het is heel vriendelijk dat de koning aan mij heeft gedacht,’ zei ik beleefd, ‘maar ik blijf liever thuis.’
De soldaat keek mij met een gefronst voorhoofd aan.
De rimpels stonden als vraagtekens op zijn gezicht.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg hij toen.
‘Gewoon’, antwoordde ik. ‘Ik heb niet zoveel zin om naar een ver land te vertrekken.’
‘Zin?’ herhaalde de soldaat. ‘Met zin heeft het niets te maken. Het land heeft je nodig.’
‘Horen jullie die baby huilen?’ vroeg ik. En ze knikten allemaal, want Makos was intussen zo luid aan het huilen dat iedereen hem kon horen.
‘Dat is mijn zoon’, zei ik. ‘Hij is drie maanden geleden geboren.’
De soldaat met de brief in zijn hand knikte.
‘Ja en?’ wilde hij toen weten.
‘Hij heeft mij ook nodig. Meer nog dan het land.’
Ik dacht dat ze dat zouden begrijpen, maar de soldaat schudde het hoofd.
‘Over huilende baby’s staat niets in de brief’, zei hij rustig. ‘Er staat alleen dat jij mee moet komen.’
‘Waarom is die oorlog precies begonnen?’ wilde ik toen weten.
‘Eigenlijk hoef je dat niet te weten’, zei hij. ‘Maar omdat je het zo vriendelijk vraagt, zal ik het je uitleggen. De broer van onze koning is getrouwd met Helena. Volgens de koning is Helena het allermooiste meisje van de hele wereld.
‘Klinkt prima allemaal’, zei ik. ‘Mogen ze lang en gelukkig leven!’
‘Laat mij uitspreken’, ging de soldaat verder. ‘Paris uit Troje, die ook Alexandros genoemd wordt, heeft het meisje ontvoerd en haar met zijn schip meegenomen. Ze zijn naar Troje gevaren. Daar houdt hij Helena gevangen.Daarom stelt de koning een leger samen om Helena terug te halen.’

Soms is het verstandig te zeggen wat je denkt, maar soms is het slimmer om gedachten te laten zijn wat ze zijn, gewoon woorden in je hoofd.
Waarom kan de koning zijn probleem niet alleen oplossen, dacht ik.
Maar ik zei het niet. Soms is het verstandig te zeggen wat je denkt, maar soms is het slimmer om gedachten te laten zijn wat ze zijn, gewoon woorden in je hoofd.
Ik wilde de soldaat niet onnodig kwaad maken.
‘Wat vervelend voor de koning’, zei ik alleen maar.
‘Zeg dat wel’, zei de soldaat gewichtig. ‘Heel erg vervelend zelfs. Nu begrijp je waarschijnlijk wel waarom je dringend mee moet komen. De koning kan alle hulp gebruiken.’
En om te bewijzen dat hij de waarheid sprak, stak hij de brief in de lucht, zodat ik hem zelf kon lezen. Maar ik keek de andere kant op en deed alsof ik de letters niet zag.
‘Het spijt mij verschrikkelijk’, zei ik tegen de soldaat. ‘Ik kan niet lezen. Ik ben blind geboren.’
De soldaat keek mij wantrouwig aan.
‘In een oorlog kan ik niets gaan zoeken’, ging ik verder. ‘Ik zou iedereen alleen maar tot last zijn. Ik zie geen hand voor ogen.’
‘Ik geloof niet dat jij blind bent’, zei de soldaat, en hij stak drie vingers de lucht in. ‘Hoeveel vingers zie je?’
‘Waar?’ vroeg ik, terwijl ik de andere kant op keek.
Maar nog was hij niet overtuigd.
‘Kom mee naar het veld’, zei hij. ‘Daar zal ik testen of je echt de waarheid spreekt.’
‘De weg naar het veld kan ik blindelings vinden’, zei ik. ‘Zo vaak heb ik hem al gedaan.’
Op het veld spande de soldaat een sterke os voor een ploeg en hij vroeg me het land om te ploegen.
‘Goed dan,’ zei ik, ‘dat wil ik best proberen.’ En ik begon te ploegen. Ik leidde de os kriskras door het veld zoals een blindeman dat zou doen.
Toen legde de soldaat Telemachos voor de ploeg. Ik hield de os in en ging geen meter meer vooruit.
De zon stond hoog aan de hemel en schroeide het veld. In de schaduw van de hoge boom bij de beek namen we afscheid. Penelope en ik. Ik kon de bladeren boven mijn hoofd horen ritselen in de wind. Ik deed mijn ogen dicht en kuste haar op de mond. Zo innig dat mijn lippen ervan tintelden. Even leek het alsof de tijd stilstond. Even leek het alsof alles zou blijven zoals het was. Maar alles heeft zijn tijd. En zelfs de innigste kus gaat voorbij.
Ik stak Makos met één arm hoog de lucht in. Hij stak boven mij uit en lachte. Dat weet ik zeker.
‘Papa komt snel terug’, zei ik. ‘Dat is beloofd.’
‘Een belofte moet je houden’, zei Penelope.
Ze had tranen in de ogen. ‘Hoe moeilijk het ook is. Een belofte moet je houden.’
‘Nu moeten we gaan’, zei een van de soldaten. ‘De oorlog wacht niet.’

Met duizend oorlogsschepen vertrokken we naar Troje. Ik stond op het dek van het schip en snoof de geur op van de zee. Ik voelde mij alleen. Elke zucht van de wind dreef mij verder weg van huis.

Lees méér van WPG