Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag geniet je van twee hoofdstukken uit het romantische en ontroerende Het licht dat we verloren van Jill Santopolo.

2

Ik zal nooit vergeten wat we zeiden toen we Philosophy Hall uit liepen; ook al was het in woorden niets bijzonders, het gesprek staat onlosmakelijk in mijn geheugen gegrift als onderdeel van die dag. We gingen tegelijkertijd de trap af. Niet precies tegelijkertijd, maar naast elkaar. De lucht was helder, de hemel blauw – en alles was veranderd. We wisten het alleen nog niet.

Ik zal nooit vergeten wat we zeiden toen we Philosophy Hall uit liepen; ook al was het in woorden niets bijzonders, het gesprek staat onlosmakelijk in mijn geheugen gegrift als onderdeel van die dag.
Overal om ons heen hoorde we de mensen door elkaar heen praten:

‘De Twin Towers zijn ingestort!’

‘Er is geen les vandaag!’

‘Ik wil bloed geven. Weet je waar ik bloed kan geven?’

Ik richtte me op jou. ‘Wat is er precies aan de hand?’

‘Ik woon op East Campus,’ zei je en je wees naar het studentenhuis. ‘Laten we het uitzoeken. Jij bent Lucy, toch? Waar woon je?’

‘Hogan,’ zei ik. ‘En Lucy, ja.’

‘Aangenaam, Lucy, ik ben Gabriel.’ Je stak je hand uit. Te midden van alles. Ik schudde hem en sloeg mijn ogen naar je op. Je kuiltje kwam terug. Je ogen waren blauw. Toen dacht ik voor het eerst: Hij is mooi.

We gingen naar je suite en keken tv met je kamergenoten Adam, Scott en Justin. We zagen lichamen die uit gebouwen doken, geblakerde hopen puin die rooksignalen de lucht in stuurden en de torens die in een spiraal instortten. De vernietiging verlamde ons. We staarden naar de beelden, niet in staat de verhalen in overeenstemming te brengen met onze werkelijkheid. Het feit dat dit zich in onze stad afspeelde, 10 kilometer bij ons vandaan, dat dit mensen waren – mensen van vlees en bloed – was nog niet tot ons doorgedrongen. Althans niet tot mij. Het voelde zo ver weg.

‘Aangenaam, Lucy, ik ben Gabriel.’ Je stak je hand uit. Te midden van alles. Ik schudde hem en sloeg mijn ogen naar je op. Je kuiltje kwam terug. Je ogen waren blauw. Toen dacht ik voor het eerst: Hij is mooi.
Onze mobiele telefoons werkten niet. Je belde je moeder in Arizona met de telefoon van het studentenhuis om te zeggen dat je ongedeerd was. Ik heb mijn ouders in Connecticut gebeld en die wilden dat ik thuiskwam. Ze kenden iemand wiens dochter in het World Trade Center werkte en niemand had nog iets van haar gehoord. En iemand wiens neef een ontbijtafspraak had in Windows on the World in het WTC.

‘Buiten Manhattan is het veiliger,’ zei mijn vader. ‘Stel dat er antrax heerst? Of een ander soort infectieziekte door biologische oorlogvoering. Zenuwgas.’

Ik vertelde mijn vader dat de ondergrondse niet reed. De treinen waarschijnlijk ook niet.

‘Ik kom je wel halen,’ zei hij. ‘Ik pak meteen de auto.’

‘Maak je over mij geen zorgen,’ zei ik. ‘Ik ben bij vrienden. Met ons gaat het goed. Ik bel je later terug.’ Het voelde nog steeds onwerkelijk.

‘Weet je,’ zei Scott nadat ik had opgehangen, ‘als ik een terroristische organisatie zou zijn, zou ik ons ook bombarderen.’

‘Wat krijgen we nou?’ zei Adam. Hij wachtte op bericht van zijn oom die bij de New Yorkse politie werkte.

‘Ik bedoel, theoretisch gezien…’ zei Scott, maar hij kon zijn zin niet afmaken.

‘Kop dicht,’ zei Justin. ‘Serieus, Scott. Verkeerd moment.’

‘Je gaat met mij mee,’ zei je en je ging met je vingers afwezig langs mijn vlecht. Het was een intiem gebaar.
‘Misschien moest ik maar eens gaan,’ zei ik toen tegen je. Ik kende je niet echt. Ik had je vrienden net pas ontmoet. ‘Mijn kamergenoten vragen zich waarschijnlijk af waar ik zit.’

‘Bel ze,’ zei je en je gaf me de telefoon terug. ‘Zeg dat je naar het dak van het Wien-studentenhuis gaat. Zeg dat ze daarnaartoe kunnen komen, als je wilt.’

‘Waar ga ik naartoe?’

‘Je gaat met mij mee,’ zei je en je ging met je vingers afwezig langs mijn vlecht. Het was een intiem gebaar, iets wat gebeurt als de grenzen van je persoonlijke ruimte zijn verdwenen. Alsof je van iemands bord eet zonder het te vragen. Plotseling voelde ik me met je verbonden, alsof jouw hand op mijn haar meer was dan alleen maar doelloze nerveuze vingers.

Ik moest er jaren later aan denken, toen ik had besloten mijn haar te doneren en de kapper me mijn vlecht overhandigde, verpakt in plastic, nog donkerder bruin dan gewoonlijk. Je was toen een wereld van me verwijderd maar ik had toch het gevoel dat ik je verried, alsof ik onze band verbrak.

Maar toen, die dag, vlak nadat je mijn haar had aangeraakt, besefte je wat je had gedaan en liet je hand in je schoot vallen. Je glimlachte opnieuw naar me, maar deze keer bereikte hij je ogen niet.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Oké,’ zei ik.

De wereld voelde aan alsof hij in scherven uiteenviel, alsof we door een verbrijzelde spiegel naar de gebroken plek binnenin waren gegaan, waar niets zinnig was, waar onze schilden waren afgelegd, onze muren afgebroken. Op die plek was er geen reden om nee te zeggen.

3

We namen de lift naar de elfde verdieping van het Wien en aan het eind van de gang trok je een raam open. ‘Iemand heeft me dit in het tweede jaar laten zien,’ zei je. ‘Het is het ongelofelijkste uitzicht over New York dat je ooit zult zien.’

We klommen door het raam het dak op en mijn adem stokte. Dikke rookwolken stegen op boven het zuidelijkste puntje van Manhattan. De lucht werd helemaal grijs, de stad was bedekt met as.
We klommen door het raam het dak op en mijn adem stokte. Dikke rookwolken stegen op boven het zuidelijkste puntje van Manhattan. De lucht werd helemaal grijs, de stad was bedekt met as.

‘Mijn god,’ zei ik. De tranen sprongen me in de ogen. Ik stelde me voor wat er had gestaan. Zag de negatieve ruimte waar de torens hadden gestaan. Het drong eindelijk tot me door. ‘Er zaten mensen in die gebouwen.’

Je hand vond de mijne en hield hem vast.

Samen stonden we met de tranen op onze wangen te kijken naar de gevolgen van vernietiging, ik weet niet hoelang. Er moeten ook andere mensen bij zijn geweest, maar ik kan ze me niet herinneren. Alleen jou. En het beeld van die rook. Het staat in mijn geheugen gegrift.

‘En wat nu?’ fluisterde ik uiteindelijk. Toen ik het zag begreep ik de omvang van de aanslag. ‘Wat komt er hierna?’

Je keek me aan en onze ogen, nog nat van de tranen, verzonken in elkaar met een aantrekkingskracht die de wereld om ons heen buitensloot. Je hand gleed naar mijn middel en ik ging op mijn tenen staan om je lippen halverwege te ontmoeten. We drukten onze lichamen tegen elkaar, alsof dat ons zou beschermen tegen wat er misschien daarna zou gebeuren. Alsof de enige manier om veilig te zijn was door mijn lippen tegen de jouwe te houden. Zo voelde ik me toen jouw lichaam het mijne omsloot – veilig, omhuld door de kracht en warmte van jouw armen. Je spieren trilden tegen mijn handen en ik begroef mijn vingers in je haar. Je wikkelde mijn vlecht rond je arm en trok, waardoor mijn hoofd naar achteren boog. Ik vergat de wereld om me heen. Op dat moment bestond alleen jij.

Zo voelde ik me toen jouw lichaam het mijne omsloot – veilig, omhuld door de kracht en warmte van jouw armen.
Ik heb me jarenlang schuldig gevoeld. Schuldig dat we voor het eerst hadden gekust toen de stad in brand stond, schuldig dat ik me in jou kon verliezen op dat moment. Maar ik begreep later dat we niet de enigen waren. Mensen vertelden me fluisterend dat ze die dag de liefde hadden bedreven. Dat ze een kind hadden verwekt. Dat ze zich hadden verloofd. Voor het eerst ik hou van je hadden gezegd. Dood heeft iets wat maakt dat mensen willen leven. Wij wilden leven die dag, en ik neem het ons niet kwalijk. Niet meer.

Toen we even op adem kwamen legde ik mijn hoofd tegen je borst. Het regelmatige kloppen van je hart stelde me gerust.

Stelde mijn hartslag jou gerust? En nog?

Lees méér van WPG