Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van leesfragmenten. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag geniet je van een fragment uit het eerste hoofdstuk uit Ik ben Eleanor Oliphant van Gail Honeyman.

Ik kreeg er genoeg van hun gezichten te zien betrekken als ik uitlegde dat het om de boekhoudafdeling ging, dat ik niets te maken had met fijnstiften en speciale software.
Als mensen ‒ taxichauffeurs, mondhygiënisten ‒ me vragen wat ik doe, zeg ik dat ik op een kantoor werk. In bijna negen jaar heeft nog nooit iemand gevraagd op wat voor kantoor, of wat voor soort werk ik daar doe. Ik ben er nog niet achter of dat is omdat ik volmaakt voldoe aan het idee dat ze hebben van iemand die op een kantoor werkt of dat ze bij het horen van de zin ‘werk op een kantoor’ automatisch zelf de lege plekken invullen ‒ vrouw bedient kopieerapparaat, man tikt op een toetsenbord. Niet dat ik klaag. Ik ben dolblij dat ik niet met hen in detail hoef te treden over de fascinerende details van onbetaalde facturen. Toen ik hier pas was begonnen en zei, als men mij ernaar vroeg, dat ik voor een grafisch ontwerpbureau werkte, werd ik verondersteld een creatief type te zijn. Ik kreeg er genoeg van hun gezichten te zien betrekken als ik uitlegde dat het om de boekhoudafdeling ging, dat ik niets te maken had met fijnstiften en speciale software.

Ik ben nu bijna dertig jaar en werk hier vanaf mijn eenentwintigste. Bob, de eigenaar, nam me kort nadat het bedrijf opende in dienst. Ik denk dat hij medelijden met me had. Ik had klassieke talen gestudeerd en geen noemenswaardige werkervaring, en ik verscheen op het sollicitatiegesprek met een blauw oog, een aantal ontbrekende tanden en een gebroken arm. Misschien voelde hij destijds al aan dat ik nooit meer zou ambiëren dan een slechtbetaalde kantoorbaan, dat ik blijvend genoegen zou nemen met mijn plek bij het bedrijf en hem de moeite zou besparen ooit een plaatsvervanger te moeten zoeken. Misschien wist hij ook dat ik nooit tijd zou hoeven opnemen om op huwelijksreis of met zwangerschapsverlof te gaan. Wie zal het zeggen.

Misschien voelde hij destijds al aan dat ik nooit meer zou ambiëren dan een slechtbetaalde kantoorbaan, dat ik blijvend genoegen zou nemen met mijn plek bij het bedrijf en hem de moeite zou besparen ooit een plaatsvervanger te moeten zoeken. Misschien wist hij ook dat ik nooit tijd zou hoeven opnemen om op huwelijksreis of met zwangerschapsverlof te gaan. Wie zal het zeggen.
Het kantoor werkt beslist met een tweerangensysteem; de creatievelingen zijn de filmvedettes, de rest van ons louter figuranten. Eén blik op ons en je weet tot welke categorie we behoren. Om eerlijk te zijn: gedeeltelijk is dat salarisgerelateerd. Het administratieve personeel krijgt een hongerloon, zodat we ons op het gebied van vlotte kapsels en kekke brillen niet veel kunnen veroorloven. Kleding, muziek, gadgets ‒ ontwerpers doen zich weliswaar maar al te graag voor als vrijdenkers met unieke ideeën, maar ze zijn stuk voor stuk aanhangers van een strikt uniform. Grafisch ontwerpen interesseert me niet. Ik ben een financieel medewerker. Ik zou werkelijk voor alles facturen kunnen uitschrijven: wapentuig, rohypnol, kokosnoten.

Van maandag tot en met vrijdag begin ik om halfnegen. Ik neem een uur lunchpauze. Vroeger nam ik mijn eigen boterhammen mee, maar het brood thuis was altijd oud voor ik het ophad, dus tegenwoordig haal ik wat uit de supermarkt. Op vrijdag eindig ik altijd met een bezoekje aan Marks and Spencer, waarmee de week plezierig wordt afgerond. Ik zit met mijn broodje in de personeelskamer en lees de krant van voor naar achter, en daarna doe ik de kruiswoordpuzzels. Ik neem The Daily Telegraph, niet omdat ik die zo goed vind, maar omdat die het beste cryptogram heeft. Ik praat met niemand ‒ tegen de tijd dat ik mijn lunch gekocht, de krant gelezen en de beide kruiswoordpuzzels opgelost heb, is het uur bijna voorbij. Ik ga terug naar mijn bureau en werk tot halfzes. De bus naar huis doet er een halfuur over.

Ik maak eten en eet het op terwijl ik naar The Archers luister. Gewoonlijk eet ik pasta met pesto en sla ‒ één pan en één bord. Mijn jeugd was vol culinaire tegenstrijdigheden en door de jaren heen at ik zowel met de hand geoogste sint-jakobsschelpen als diepvriesvis. Ik heb lang en veel nagedacht over de politieke en sociologische aspecten van de maaltijd en ben tot het besef gekomen dat ik volledig ongeïnteresseerd in voedsel ben. Mijn voorkeur gaat uit naar voer dat goedkoop, snel en eenvoudig te verkrijgen en te bereiden is, en ondertussen de vereiste voedingsstoffen verschaft die ervoor zorgen dat je in leven blijft.

Thuisgekomen eet ik de pizza en drink ik de wijn. Later drink ik wat wodka. Op vrijdag heb ik niet veel nodig, slechts een paar flinke slokken.
Als ik heb afgewassen, lees ik een boek of soms kijk ik televisie als The Telegraph die dag een programma heeft aangeraden. In de regel (nou ja, altijd) praat ik op woensdagavond een kwartier of zo met mama. Tegen tien uur ga ik naar bed, lees een halfuur en doe dan het licht uit. Doorgaans heb ik geen moeite met slapen.

Op vrijdag pak ik niet meteen na het werk de bus, maar in plaats daarvan ga ik naar de Tesco Metro in de buurt van het kantoor om een pizza margherita, chianti en twee grote flessen Glen’s wodka te kopen. Thuisgekomen eet ik de pizza en drink ik de wijn. Later drink ik wat wodka. Op vrijdag heb ik niet veel nodig, slechts een paar flinke slokken. Gewoonlijk word ik om drie uur ’s nachts wakker op de bank en stommel ik naar mijn bed. De rest van de wodka drink ik in het weekend verspreid over beide dagen, zodat ik dronken noch nuchter ben. Het kost een hele tijd om op maandag weer op gang te komen.

Mijn telefoon gaat niet vaak ‒ ik schrik als ie gaat ‒ en in de regel is het iemand die vraagt of ik mij een kredietverzekering heb laten aansmeren. Ik fluister Ik weet je te vinden en hang heel, heel zachtjes op. Afgezien van onderhoudspersoneel is dit jaar niemand in mijn flat geweest; ik heb geen ander menselijk wezen vrijwillig binnen uitgenodigd behalve om de meterstand te laten opnemen. U denkt zeker dat dat niet mogelijk is? En toch is het zo. Ik besta, nietwaar? Vaak heb ik het gevoel dat ik er niet ben, dat ik een verzinsel van mijn eigen fantasie ben. Er zijn dagen waarop ik me zo losjes met de aarde verbonden voel, dat de draden die mij aan deze planeet binden ragfijn gesponnen suiker zijn. Een harde windvlaag zou me volledig kunnen losmaken en ik zou opgetild worden en wegwaaien als een zaadje van zo’n paardenbloempluis.

Vaak heb ik het gevoel dat ik er niet ben, dat ik een verzinsel van mijn eigen fantasie ben.
Van maandag tot en met vrijdag worden de draden enigszins strakker. Mensen bellen naar kantoor om over kredietlimieten te praten en sturen me e-mails over contracten en prijsopgaven. Het zou de werknemers met wie ik een kamer deel ‒ Janey, Loretta, Bernadette en Billy ‒ niet ontgaan als ik niet op kwam dagen. Na een paar dagen (ik vraag me vaak af na hoeveel) zouden ze zich zorgen maken dat ik me niet ziek had gemeld ‒ helemaal niets voor mij ‒ en ze zouden mijn adres opzoeken in het personeelsbestand. Uiteindelijk zouden ze de politie bellen, denk ik. Ja, toch? Zouden de agenten de voordeur forceren? Me aantreffen, terwijl ze hun gezichten bedekken en kokhalzen van de stank? Dan hadden ze op kantoor iets om over te praten. Ze haten me, maar ze wensen me niet dood. Tenminste, dat geloof ik niet.

Lees méér van WPG