Deze zomer trakteert WPG Uitgevers je wekelijks op een literaire cocktail in de vorm van een leesfragment. Als vieruurtje, voor het slapengaan of gewoon tussendoor. Vandaag opent Katherine Applegate je ogen met Mijn vriend Crenshaw, een schets van een rauwe sociale realiteit én een ode aan de fantasie.

Aan de kat op de surfplank vielen me gekke dingen op. Eén: hij was een kat op een surfplank.
Aan de kat op de surfplank vielen me gekke dingen op. Eén: hij was een kat op een surfplank. Twee: hij droeg een T-shirt. Daarop stond: katten zijn top, honden rot op. Drie: hij had een ingeklapte paraplu bij zich, alsof hij bang was dat hij nat zou worden. Wat eigenlijk een rare angst is als je gaat surfen. Vier: blijkbaar zag niemand anders op het strand hem. De kat had een mooie golf te pakken en surfte er soepel op los. Maar toen hij het strand naderde, was hij zo dom om de paraplu open te klappen. Een windvlaag rukte de kat de lucht in. Hij miste op een haar na een meeuw. Zelfs de meeuw leek hem niet op te merken. De kat zweefde boven mijn hoofd als een pluizige ballon. Ik keek recht omhoog. Hij keek recht omlaag. Hij zwaaide. Hij had een zwart met witte vacht, als van een pinguïn. Hij had iets van iemand met een harige smoking die op weg was naar een chique bijeenkomst. Ook had hij iets heel bekends. ‘Crenshaw,’ fluisterde ik. Ik keek om me heen. Ik zag zandkastelenbouwers, frisbeespelers en krabbenvissers. Maar ik zag niemand naar de zwevende surfkat met de paraplu kijken. Ik kneep mijn ogen dicht en telde tot tien. Heel
langzaam. Tien seconden leek me tijd genoeg om weer normaal te worden. Ik was een beetje duizelig. Maar dat gebeurt wel vaker als ik honger heb. Na het ontbijt had ik niets meer gegeten. Toen ik mijn ogen opendeed, zuchtte ik van opluchting. De kat was weg. De hemel was oneindig wijd en leeg. Woep! Op een paar centimeter van mijn tenen landde de paraplu als een reusachtige pijl in het zand. Hij was van rood en geel plastic, met plaatjes van lachende muizen erop. Op het handvat was met waskrijt geschreven: deze spuit is eigendom van crenshaw. Ik deed mijn ogen weer dicht. Telde tot tien. Deed mijn ogen weer open, en de paraplu – of de spuit, of hoe hij dat ding ook noemde – was verdwenen. Net als de kat. Het was eind juni, lekker warm, maar ik had kippenvel. Ik voelde me zoals je je voelt als je van de hoge duikplank in het zwembad springt. Je bent halverwege. Je ligt nog niet in het water. Maar je weet dat er geen weg terug is.

Nu moet je weten dat ik geen type ben voor een denkbeeldige vriend. Dat meen ik. Na de zomervakantie ga ik naar groep zeven. Op mijn leeftijd heb je niks aan de reputatie dat je gestoord bent.
Nu moet je weten dat ik geen type ben voor een denkbeeldige vriend. Dat meen ik. Na de zomervakantie ga ik naar groep zeven. Op mijn leeftijd heb je niks aan de reputatie dat je gestoord bent.
Ik hou van feiten. Dat is altijd zo geweest. Van dingen die waar zijn. Feiten als twee-plus-twee-is-vier. Feiten als spruitjes-smaken-naar-stinkende-sportsokken. Oké, misschien is dat laatste meer een mening. En trouwens, ik heb nog nooit een stinkende sportsok gegeten, dus ik kan het mis hebben. Feiten zijn belangrijk voor een wetenschapper, en later wil ik wetenschapper worden. Ik hou het meest van dierenfeiten. Vooral het soort waarop mensen reageren met ‘dat kan niet waar zijn!’ Zoals het feit dat een jachtluipaard een snelheid van honderdvijf kilometer per uur kan halen. Of het feit dat een kakkerlak zonder kop nog twee weken in leven kan blijven. Of het feit dat een gehoornde pad bloed uit zijn ogen spuit als hij woedend wordt. Ik wil dierkundige worden. Ik heb nog geen dier gekozen. Op het moment vind ik vleermuizen heel tof. Ik hou ook van jachtluipaarden, honden, slangen, ratten en zeekoeien. Dat zijn mooie opties. Dinosaurussen vind ik ook leuk, behalve dan dat ze allemaal dood zijn. Een tijdlang wilden mijn vriendin Marisol en ik paleontoloog worden en dinosaurusfossielen gaan zoeken. Zij begroef vaak kippenbotjes in haar zandbak om te oefenen met opgravingen. Marisol en ik zijn deze zomer een hondenuitlaatdienst begonnen. Die noemen we ‘Laat Lassie Lopen’. Als we de honden uitlaten, wisselen we weleens dierenfeiten
uit. Gisteren vertelde ze me dat een vleermuis in één uur 1200 muggen kan opeten. Feiten zijn zoveel leuker dan verhalen. Verhalen kun je niet zien. Je kunt ze niet in je hand houden en opmeten. Een zeekoe past ook niet in je hand. Maar toch. Verhalen zijn uiteindelijk leugens. En ik hou er niet van als er tegen me gelogen wordt. Ik moet niets van verzinsels hebben. Toen ik klein
was verkleedde ik me niet als Batman, praatte ik niet met knuffelbeesten en was ik niet bang voor monsters onder mijn bed. Mijn ouders zeggen dat ik in groep een aan iedereen liep te vertellen dat ik de burgemeester van de aarde was. Maar dat duurde maar een paar dagen. Oké, ik had Crenshaw een tijdje. Maar kleine kinderen hebben zo vaak een denkbeeldig vriendje. Mijn ouders namen me een keer mee om de paashaas te zien in het winkelcentrum. We stonden op nepgras bij een enorm nep-ei in een enorme nep-mand. Toen het mijn beurt was om met de paashaas op de foto te gaan, keek ik naar zijn poot en trok ik die er met één ruk af. Er kwam een mannenhand tevoorschijn. Met een gouden trouwring en toefjes lichtblond haar. ‘Die haas is een man!’ riep ik. Een klein meisje begon te huilen. De manager van het winkelcentrum stuurde ons weg. Ik kreeg geen gratis mandje met chocolade-eitjes en geen foto met de neppaashaas. Toen besefte ik voor het eerst dat mensen lang niet altijd de waarheid willen horen.

Mijn zusje Robin en ik speelden cornflakesbal in de woonkamer van ons appartement. Cornflakesbal is een goeie truc als je honger hebt en er tot de volgende ochtend bijna niets te eten is.
Na dat gedoe met de paashaas gingen mijn ouders zich zorgen maken. Afgezien van die twee dagen als burgemeester van de aarde had ik blijkbaar weinig fantasie. Ze dachten dat ik misschien te ouwelijk was. Te serieus. Mijn vader vroeg zich af of hij me niet meer sprookjes had moeten voorlezen. Mijn moeder vroeg zich af of ze me wel naar al die natuurfilms had moeten laten kijken waarin dieren elkaar opvreten. Ze vroegen mijn oma om raad. Ze wilden weten of ik me te volwassen gedroeg voor mijn leeftijd. Oma zei dat ze zich niet ongerust hoefden te maken. Ik mocht dan nog zo volwassen lijken, zei ze, maar dat ging wel over als ik in de puberteit kwam. Een paar uur nadat ik Crenshaw aan het strand had gezien, dook hij weer op. Zonder surfplank deze keer. Zonder paraplu. Zonder lijf ook nog. Maar toch. Ik wist dat hij er was. Het was rond zes uur ’s avonds. Mijn zusje Robin en ik speelden cornflakesbal in de woonkamer van ons appartement.
Cornflakesbal is een goeie truc als je honger hebt en er tot de volgende ochtend bijna niets te eten is. We hebben het een keer bedacht toen onze magen tegen elkaar knorden. ‘Goh, had ik maar een stuk pizza met salami,’ rammelde mijn maag. En de hare rommelde terug: ‘Ja, of een cracker met pindakaas.’ Robin is gek op crackers. Cornflakesbal is heel makkelijk. Je hebt alleen cornflakes
of een klein stukje brood nodig. Met M&M’s kun je het ook goed spelen, als je moeder niet in de buurt is om suiker te verbieden. Maar je hebt vast geen M&M’s als het niet net Halloween is geweest. Bij ons thuis zijn die dingen zó op. Eerst stel je vast waarop je gaat mikken. Een kom of beker doet het goed als doel. Niet de prullenmand, want daar kunnen bacteriën in zitten. Soms neem ik Robins veiligheidshelm die ze draagt met softbaltraining. Al is die waarschijnlijk ook knap goor. Ze kan vreselijk zweten voor een kind van vijf. Je moet dus één cornflake in de mand zien te gooien. De regel is dat je die pas mag opeten als je gescoord hebt. Zorg dat je mand een eind weg staat, anders ben je zo door je eten heen. De truc is dat het zo lang duurt voor je scoort dat je
niet aan honger denkt. In elk geval eventjes niet. Ik speel het liefst met cruesli en Robin houdt van Frosties. Maar als de kast zo goed als leeg is, heb je het niet voor het kiezen. Dat zegt mijn moeder af en toe. Als de cornflakes op zijn en je maag knort nog steeds, kun je altijd proberen of kauwgom helpt. Dat kun je achter je oor plakken en bewaren tot je weer verder wilt kauwen. Ook als er de smaak eraf is, is het goede kaakgymnastiek.

Vroeger, toen we altijd meer dan genoeg in huis hadden, begon ik te zeuren als mijn lievelingseten er niet bij was. Maar tegenwoordig was er zo weinig, en ik had het gevoel dat mijn ouders dat rot vonden.
Crenshaw dook op – of zo leek het tenminste – terwijl wij druk bezig waren een propje van mijn vaders muesli-met-zemelen in Robins helm te gooien. Ik gooide raak. Toen ik mijn flakeje ging halen, zag ik in plaats daarvan paarse jellybeans liggen. Ik ben gek op paarse jellybeans. Ik keek er heel lang naar. ‘Waar komen die vandaan?’ vroeg ik na een tijdje. Robin greep haar helm. Ik wilde hem terugpakken, maar bedacht me. Robin is klein, maar je moet geen ruzie met haar krijgen. Ze bijt. ‘Dat is toverij. Pure magie!’ zei ze. Ze begon de jellybeans te verdelen. ‘Een voor mij, een voor jou, twee voor mij…’ ‘Serieus, Robin. Geen geintjes. Waarvandaan?’ Robin propte twee jellybeans in haar mond. ‘Pehft me nie,’ zei ze, wat volgens mij de vertaling was van ‘pest me niet’ in een jellybeansmond. Aretha, onze grote labradorbastaard, kwam aandraven om de zaak te onderzoeken. ‘Jij mag geen snoep,’ zei Robin. ‘Jij bent een hond en eet dus hondenbrokken, jongedame.’
Maar Aretha had zo te zien geen interesse in snoep. Ze snoof aan de lucht en spitste haar oren in de richting van de voordeur, alsof er bezoek in aantocht was. ‘Mam!’ riep ik. ‘Heb jij jellybeans gekocht?’ ‘Tuurlijk,’ riep ze terug. ‘Voor bij de kaviaar.’ ‘Ik meen het serieus,’ zei ik, en ik pakte mijn twee snoepjes op. ‘Eet je vaders muesli met zemelen maar, Jackson. Dan kun je de hele week poepen,’ antwoordde ze. Meteen daarna verscheen ze in de deuropening, met een theedoek in haar handen. ‘Hebben jullie honger?’ Ze zuchtte. ‘Er is nog een restje macaroni met kaas van het
avondeten van gisteren. En een halve appel die jullie kunnen delen.’ ‘Ik hoef niets,’ zei ik snel. Vroeger, toen we altijd meer dan genoeg in huis hadden, begon ik te zeuren als mijn lievelingseten er niet bij was. Maar tegenwoordig was er zo weinig, en ik had het gevoel dat mijn ouders dat rot vonden. ‘We hebben jellybeans, mam,’ zei Robin. ‘Ook goed. Als het maar voedzaam is,’ zei mijn moeder. ‘Morgen krijg ik mijn loon van de drogist en dan ga ik na het werk meteen naar de supermarkt om boodschappen te doen.’ Ze knikte kort, alsof ze iets afvinkte op een lijstje, en
ging terug naar de keuken. ‘Hoef jij je jellybeans niet?’ vroeg Robin, en ze draaide haar gele paardenstaart om haar vinger. ‘Ik wil wel zo lief zijn om ze voor je op te eten.’ ‘Ik eet ze zelf op,’ zei ik. ‘Maar… nu nog niet.’ ‘Waarom niet? Het zijn paarse. Je lievelings.’ ‘Ik moet er eerst over nadenken.’

“De kracht van Mijn vriend Crenshaw zit verder in de balans die Katherine Applegate vindt tussen het eerlijk afbeelden van een rauwe werkelijkheid en de humor die het draaglijk maakt. Die humor zit in de groteske situaties waarin Crenshaw opduikt, maar ook in de gevatte dialogen. Wanneer de moeder van Jackson bijvoorbeeld ongerust is dat hij te volwassen is voor zijn leeftijd, stelt oma haar gerust dat dat wel overgaat eens hij in de puberteit komt.
Tot slot is het boek een pleidooi voor de fantasie. Jackson hecht veel belang aan feiten en eerlijkheid, maar die dreigen hem de zin in het leven te ontnemen. Hoewel er voor zijn ouders licht is aan het eind van de tunnel, is de belangrijkste overwinning van Jackson dat hij zijn eigen emotionele nood leert te uiten en de kracht van zijn fantasie durft te omarmen.”

Vanessa Joosen, De Standaard, 26 mei 2017

Lees méér van WPG